Hart.Steen.Papier.

Ik moet leren van mijn hart een steen te maken. Dus haal ik het uit mijn borstkas. Pak het in met bakpapier. Kleur het papier grijs met een zachte stiftpunt. Ik strek mijn arm uit, zo hoog als ik kan. En ik werp de steen loeihard op de grond. Ik hoor een zachte plof. Nog niet hard genoeg. Er ontstaat een rode plas rond het grijze pakje.

Ik leg mijn druipende hart in een rivier om het bloed weg te spoelen. Ik raap het terug op om een steen verlegd te hebben. En dan moet het wel een steen worden, want ik heb in die rivier een steen verlegd en geen hart.

Ik kan het op de valreep nog aan Music for Life geven om mijn steentje bij te dragen. Neen, want dan heb ik er wel een steen van gemaakt, maar dan is het ook weg. En ik weet niet naar welk goed doel. En dat is allemaal niet de bedoeling.

Dan maar naar de zee vandaag, naar de storm gaan kijken. Thuis zijn voor het avondeten is de enige gevierde vereiste. Ze lijkt een ver verleden, één waarin ik nog thuis bij mijn vader woonde en veel te moeizaam aan de vereisten voldeed. Maar op kerstavond flakkert ze naast het haardvuur terug op en weet je wat, ik zal zelfs te vroeg zijn straks. De regen vult de zee en maakt haar nog onmetelijker. Ik gooi mijn hart in die oneindigheid. Het zinkt als een baksteen. Missie volbracht. Maar dan begint mijn hart in mijn keel te kloppen en ontstaan er grote golven op het ritme van het gebonk in mijn hoofd en dan duik ik er achteraan met mijn kleren aan. Als een doorweekte hond strompel ik terug uit het water. Dat wordt een nieuwe kerstoutfit uitzoeken voor vanavond… En kan er iets of iemand mijn hart efkes vol laten lopen met iets anders dan water en met iets warms?

Zal ik het eens in de fik proberen steken anders? ‘Van liefde rookt de schoorsteen niet’, een aanlokkelijk winters tafereel om na te bootsen op deze koude 24ste december. Het begint te roken en schiet vrijwel meteen vurig in vlam. Er zit dus liefde in mijn zwartgeblakerde schoorstenen hart. En ooit kon ik wel alleen daarvan leven.

Nu leef ik tussen bergen en dalen en ik zeul een zwaar rotsblok mee. Het heeft een scherpe punt en een top die iets weg heeft van een boezem – het lijkt op mijn hart van weleer. Ik wil die bergen en ik neem er de dalen bij. En ik kan alleen de longen uit mijn lijf lopen of aan een schuilhut tot rust komen als mijn hart geen loodzware, vormeloze, onwrikbare steen meer is. Maar zacht, met een boezemvormige top. Aha, we zijn er. Ik ga mezelf tegenspreken en dat is altijd goed, want dan kan ik daarna gaan zwijgen: ik moet van mijn hart helemaal geen steen maken. Ik ben tevreden met het hart van een weekdier in mijn borstkas. En ja, een zacht hart valt al eens loeihard neer. Wie het ook was die de eerste steen geworpen heeft. En breekbaarheid is schoon.

Breekbaarheid, ik struikel over het woord. Alsof mensen echt kunnen breken. Een stem, dat kan breken. Een hart. Een kerstbal vanavond. Maar een hele mens?

Dat ga ik nu eens écht niet testen: mezelf inpakken in bakpapier, in de rivier gaan liggen, naah. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.

11791e38e038fddf8a151c19f411dc0e

♪Feel Real – Deptford Goth

Advertenties

Latté

Een ijzige wind waait door mijn ribben heen. Het is de eerste echte herfstdag en het zou evengoed zo meteen kunnen gaan sneeuwen. Ik overdrijf al eens en ik loop in mijn t-shirt naar het Dudenpark in Vorst. De enkelingen die ik op straat passeer, kijken me verbeten aan vanonder hun watervalcapucon. Het haar op mijn armen staat nu helemaal loodrechtop. Dit is de eerste keer sinds lange tijd dat ik het Park van Vorst compleet leeg aantref. Niemand hoort dus dat ik vloek op de gure regen. Eens goed vloeken kan deugd doen en ik voel mijn lijf simultaan opwarmen. Na de kuitenbijter aan de ingang van het park, damp ik als een versgezette kop koffie.

Magnifiek hoe warm een lichaam kan worden. Ik mijmer weg bij de menselijke gedachte dat we deze lichaamswarmte kunnen delen en verdubbelen met iemand, door zacht en warm tegen elkaar te liggen. Na een herfstwandeling bijvoorbeeld.
Van dit mooi mijmeren ben ik rats trager gaan lopen…

En vertrappel ik bijna een Schnauzer. Moeder en dochter gillen en dragen dezelfde regenfrak. Meneer grolt naar mij. Ik kijk naar beneden om de hond te detecteren. Deze heeft zijn normale vorm behouden en ik merk op dat het hele gezin laarzen draagt. Laarzen… ik krijg ik spontaan een onweerstaanbare hang naar hun laarzen. Het woord op zich, hun camouflagekleur, hun ronde top, hun zachte effen oppervlak en de mogelijkheden die ze inhouden. Door zee dolen, in plassen springen, door de modder lopen of door veld en vlaai, beektochten houden, het wijde bos in trekken. Het kan allemaal, maar met laarzen aan nog meer. Ik wil die mensen hun laarzen, ik wil hun hond, ik wil soep maken,
ik wil thuiskomen – bij iemand –, vertellen over de avonturen met mijn laarzen aan en ik wil mijn tintelende vingers rond een dampende tas koffie leggen.

Het is een nieuw gevoel voor mij, na mijn grote prioritaire behoefte aan een eigen plek, echt bij iemand te willen zijn. Ik ben een trage stier, mijn gevoel neemt tijd om te groeien en soms kom ik te laat. Er waren voortekens voor mijn gevoel, subtiel en aan het groeien: ik neem al maanden overal koffiemelkskes mee. Uit de Panos, uit de Coffee world, in alle cafés waar ik beland en waar mensen koffie bestellen, gritste ik reeds mening melkske van de tafel. Gratis, maar vooral voor niets.

Want zij dronk haar koffie altijd latté, maar maakt nu alleen haar eigen herfstwandelingen.
Ik ook. En ik drink mijn koffie altijd zwart.

En ik bedoel niet dat ge uw koffie op dezelfde manier moet drinken als uw lief.
Ik bedoel al de rest.
Het is al genoeg, al zoveel, als ge op zondag samen een herfstwandeling
kunt gaan maken, daarna uw laarzen uittrekt en wat lichaamswarmte deelt.

Flatlands – Chelsea Wolfe