Wanneer de tijd klaar is

Wanneer de tijd klaar is.
Dat is het enige dat we weten.

Er zal in tussentijd heel wat gebeuren. Mensen zullen werken, eten, slapen. Metro, boulot, dodo. Maandag werken, eten, slapen. Werken eten slapen (…) Vrijdag werken, eten, slapen. Weekend (zucht). Daartussen, tussen dat ritme, vindt het leven plaatsen en plekken om ons te overkomen. Sommigen zullen zich over dat leven verbazen. Anderen zullen verbazen. Ieder op zijn beurt.

Er zullen mensen op reis vertrekken. Op weg naar of weg van geliefden. Of beide of ergens tussenin. Ik zal een voorbeeld geven:

er viel eens iemand uit de lucht
recht in iemand anders’ armen
en ze zeiden niets

het was een omarming die bleef duren
want hoe weet je
wanneer het tijd is om iemand los te laten

alles duurt altijd langer
ik zie je graag
is maar één zin

en ik zie je graag duurt altijd, altijd langer

Er zullen dus mensen op reis vertrekken. Op een van die reizen zoekt iemand naar haar adem. Ze mag weten dat zij meer dan genoeg is wanneer zij heel gewoon zichzelf is. Ik zal het zo zeggen: als 100% het ideaal is, willen we minstens 80 bereiken, terwijl 60 eigenlijk al voldoende is en wij zelf sowieso volmaakt zijn. Ze mag nu voor zichzelf ademen in plaats van voor twee. Drie. Vier.

Ergens zal iemand naar woorden zoeken of een boek lezen, waarin ze dan die woorden vindt. In een stad worden twee vrouwen mama van hun kindje. Ze worden het steeds meer. Kilometers velden verder werpen bomen wulps hun vruchten in manden en monden. Ergens … hoor je enkel de wind. Lakens waaien. Moeders turen tevreden de tuin in. Moeders sturen de vrede de tuin in … Iemand borstelt haar paard en fluistert langs de wilde manen: “jij bent vrij”. Er worden tafels gedekt. Bloemen geplukt. Vazen gevuld. Er zal door ramen gekeken worden en heel soms door een ziel. Er zullen mensen verdriet hebben, steun of rimpels krijgen.

Anderen kennen geluk, of leren het opnieuw kennen. Ergens maakt iemand een nieuwe start. Ze is nog nooit zo naakt de zee in gewandeld. In het water zwemt ze haar uittredende oevers terug bijeen.

Iedereen zal tijd krijgen en iedereen leert elke dag bij. Niemand kent de weg. Verloren is slechts een synoniem voor ‘op zoek’. Niemand kan exact vertellen of voorspellen wanneer de tijd klaar is. Het is iets dat geleidelijk aan gebeurt en zich toch plots voltrekt. Zoals uw frank die valt. Iemand tegen het lijf lopen. Je loopt namelijk reeds een tijdje voor het letterlijk gebeurt. Het is al een poosje aan de gang voor de opgeschrikte “Oh, pardon” volgt, de “Miljaar, kijk toch uit” of de “Oh, hey …”

“… hey daar”. Iemand ontmoeten. Je weet dat dit kan gebeuren. Het is bijna vanzelfsprekend. Het is zelfs al een poosje aan de gang. Je loopt namelijk reeds een tijdje voor het letterlijk gebeurt. Je loopt rond tussen werken, eten, slapen. En als het dan toch plots gebeurt, “Hey daar” … is het helemaal niet vanzelfsprekend. Integendeel.

Nochtans is het simpel. De tijd stuwt alles in de richting van eenvoud. Het is zoals een zelfgebakken taart. Of zoals een zelfgebakken brood, dat recept ken ik beter – twee kilo bloem, één liter water, wat boter en gist en een snuifje zout – een brood dat na het rusten klaar is om de honger van twee mensen te stillen. Zo ook stilt liefde de honger van twee mensen. Na het rusten. Na het breken. Helen. Groeien. Na het dieper doorbloeden van ons wijze hart. Wanneer de tijd klaar is.

tumblr_o6t9tzQcUy1uzh288o1_500.png

*Met deze tekst won ik de voorronde van Naft voor Woord 2016 in Mechelen 1/04/2016

♪The best thing – Doveman

Advertenties

“Wil je me één ding beloven?”

“Mijn hart heeft haar eigen weg.”
“Dat is waar, he?”
-”Ja.”

“Wat ben je aan het denken?”
-“Dat ik niet mag huilen.”

-”Sterk zijn is de rol die mij is toegeschreven zonder dat hij me past.”
“Als je sterk moet zijn, dan word je het.”

-“Ik kan niet stilstaan. Ik wil dat ook niet.”
“Als je niet wil stilstaan, dan wil je teveel.”

-”Je was toen heel goed voor mij.”
“Jij ook voor mij.”

“Gaan we tellen hoe vaak we eraan denken?”
-‘Dat is ontelbaar.”
“Ja. Je hebt gelijk.”

“Wat doe je. Doe je geen pijn.”
-“Ik maak mij los van de dingen.”
“Wil je mij vastnemen.”

-“Je weet dat ik niet kan wachten. Tot één van de twee mogelijkheden verlopen is.”
“Ja. Ik weet dat ik op een bepaald moment verloren zal hebben.”

-“Ik moet je tijd geven.”
‘Ik ook… Jou tijd geven.”

“Sorry.”
-“Waarvoor?”
“Neem het nu maar aan.”

-“Het is oke, ik ben ook in de war.”
“Maar ik denk dat jij ànders in de war bent.”

“Van waar komt het?”
-“Maar dat weet ik toch niet?”
“Van waar komt een gedachte?”
“Van buiten je hoofd. Of van binnenin? Van wat altijd stil is, opmerkzaam blijft en graag ziet?”
-“Begin niet met zo’n vragen. Want ik weet niet vanwaar het antwoord zal komen.”

“Alles kan.”
-“Nee. Niet alles kan.”

“Seg en euhm. Waar slapen engeltjes dan?”
-“In een bed.”
“En doen ze dan hun vleugels uit?”
-”Ja. Niemand kan altijd vliegen. Zelfs de wind gaat soms liggen.”

“Je lacht niet mee.”
“Doet het pijn te lachen?”
-”Als ik het voor jou doe?”
“Bedoel je dan dat je me geeft wat je niet kan geven?”
-”Ja.”

“Ineens ben je gestopt met zoeken.”
-“Ja. Omdat ik iets gevonden had.”

“Ik weet iets wat jij niet kan dat ik ook niet kan.”
-Is het geloven?”
“Ja, dit geloven.”

“Is het de realiteit die soms als een droom kan aanvoelen…?”
-“Ik weet niet of je iets dat enkel bestaat uit dromen en gedachten kan aanvoelen eigenlijk.”

-“Je denkt veel na, he.”
“Teveel?”
-“’Het is nooit teveel…”, zei ze op een van de vele manieren waarop ze omarmt.

“Ik kan dit nooit neerschrijven, dit alles.”
-“Dat hoeft ook niet.”

“Maakt het uit.
Dat er al zoveel boeken zijn? Met diepste, met woorden uit onze diepte.
Woorden waar diegene die ze bedoelde zoveel in stopte,
zelfs bijna het gevoel erbij.”
-”Nee. Het maakt niet uit. Als je dat doet. Als je dat maar doet.”

“Je wil iemand een vraag stellen,
maar je doet het op dat moment nog niet.
Je denkt dat het zo beter is.”
-“Dacht je daar nu aan?”
“Ja.”
-“Wilde je me een vraag stellen?”
“Ja. Nog niet.”

“Wil je me één ding beloven?”
-“Ja.”
“Dat je weer durft dromen.”

13882270_1084976741581734_357929176768059332_n

Elke stap

“Kijk eens uit voor de mensen miljaar!” brult een vrouw.
De wind in het woud stopt met ruisen. Ik vraag me af waar vogels gaan schuilen wanneer het plots begint te onweren. Van op een kleine afstand zie ik hoe ze met haar ogen een bliksemschicht schiet. Haar kwade stappen doen de bosgrond daveren en de wolken trekken samen. De blik van de man enkele meters verder spreekt boekdelen. Zijn ogen staan wijd open gesperd. Adrenaline duwt tegen de wand van alle cellen die zijn lichaam telt. Zodra barst hij.

“Kom hier! Je slentert te ver voor me uit en je loopt in de weg”.
Waar hij enkele seconden eerder nog naar het kruin van de bomen stond te kijken, staat hij nu met voorover gebogen schouders en met zijn hoofd naar de grond gericht stil. Het lijkt alsof hij zich wil toeplooien. Hij staat zo geruisloos mogelijk. Zelfs de bomen zijn stil gaan staan. Hun sap stopt met stromen. De blaadjes van de bomen zuigen nu niets meer. Het water uit de bodem zal de komende uren niet in de bladeren verdampen. De boom zal niet verder groeien tot de hoogste lengte die bomen kunnen bereiken, 130 meter hoog. Fotosynthese, nul. Haar gebrul heeft de twijgjes van het bladerdak gebroken en de lijvige takken wenken nu slechts wanhopig de zon in plaats van er zelf naar toe te groeien.

“Altijd hetzelfde. Ik moet mij altijd kwaad maken. Ik zou u beter aan een ketting leggen”. Het woord ketting haalt mij helemaal uit mijn looptrance. Wanneer ik ga lopen, mag ik afwijken. Dan loop ik door het bos in plaats van op de paden. In alle vrijheid lukt het me altijd het best.

Nog 10 meter. “Dit is de laatste keer. Ik kom niet meer buiten met u. En ge komt bij mij ook niet meer binnen. Zoek uw eigen plaats maar om te pissen!”. Verwijten en commando’s echoën over de boomtoppen heen. Elke stap is er één verder van de gevarenzone af. Ik zie hoe de man enkele meters verder zijn schouders recht en haar na deze stollende seconden durft aan te kijken. Zouden ze samen sterker zijn dan alleen? Hij schudt zijn hoofd en hapt naar adem. Het lijkt alsof hij iets wil gaan zeggen.

“Sshhht! En kom hier zeg ik u”. De man zet enkele passen in de richting van haar temperament. “Waarom?”, stamelt hij. “Zit!”, roept zij. Dit gaat wel erg ver, denk ik. Tot ik hen eindelijk voorbij loop. Een beetje afstand geeft wel vaker perspectief op de zaak. Ik zie hoe de vrouw verschiet van de mannenstem. Hoe ze elkaar niet kennen. Hoe de man perplex staat. Ik zie hoe een border collie van tussen de struiken opduikt. Hoe iedereen plots alles begrijpt en hoe het bos terug herademt.