Tegelijk

ik reis te vaak met de trein
langs lappen stad
en landschappen die ik in wil stappen

ik rijd te snel door levens heen
waar ik te veel zie
dat mij van mijn sokken blaast

ik vertrek te snel
al wachtte ik nog 24 minuten op het perron
ik vertrok omdat ik niet kon blijven

we draaiden ons tegelijk na de omhelzing om

ik had er kunnen wonen
in die stad aan de andere kant van de trein
maar ik vertrok er telkens weer laatste keren

zonder sokken

♪Trains – Porcupine Treelose your train of thought

Advertenties

Driekwart saucisse

Instinct kan je niet fnuiken. Ik wacht niet meer tot het groen wordt om over te steken. Ik ben niet volgzaam. Ik beweeg me op het randje van arrogant en assertief. Ik wacht niet tot ik kan betalen in tavernes, ik zég dat ik ga betalen. Ik heb bepaalde responsen op stimuli ontwikkeld en ze zijn inmiddels mijn vastgelegd gedragspatroon. Al van jongs af aan dwaal ik door deze stad, wil ik haar begrijpen en ga ik mijn eigen gang door de eigenzinnige straten. Brussel heeft mij reflexen gegeven, Brussel heeft mij ‘gemaakt’. Mijn instinct doet me ronddolen en observeren – staren zelfs –. Het breekt schaamteloos los te midden van de vrijheid in de chaos van Brussel. En die chaos zit vol rake no-nonsense. Ik bedenk dat we bij gesprekken tegen elkaar kunnen wrijven met onze kern. Mijn primitieve, dierlijke vorm van intuïtie resulteert in gluren, mijn mond voorbij vragen en ten slotte mijn buit neerpennen.

Overal in Brussel liggen schatten voor het rapen. Ook in de stations. Hoe weerzien en afscheid er kunnen uitzien… Hoe de zucht van de laatste trein naar huis klinkt, of die van de trein naar zonde. Te midden het niemandsland en de duizenden schimmen van andere levens, ligt voor iemand een zekerheid, een eigen plek op een vaste route naar huis. De man met zijn jasje van ‘de post’ wacht steeds aan dezelfde paal op perron vier in het Centraal station om 22.39u. Aan de paal links van het winkeltje met hotdogs onderaan de grote trap, scheiden elke dag om 8.47u de wegen van twee anonieme geliefden. Hij vertrekt er steeds via de grote trap om langs de hoofdingang en langs de levendige Grasmarkt de stad in te trekken op weg naar zijn werk. Zij duikt ondergronds met de metro. Pas aan die paal laten ze elkaars handen los. Enkele seconden later kijkt zij nog even om – en hij weet dat.

‘Alors on danse’, schreeuwt de metromuil van Hallepoort. Niet Stromae maar een jonge man met één kruk en een gebroken poot strompelt de trap af en ik struikel bijna over zijn heerlijke zelfspot en positivisme.

Natuurlijk is Brussel niet altijd een verzameling van vertederende kleine verhalen. De stad heeft ook een onafwendbare lelijkheid. Mensen van buiten Brussel noemen haar wel eens een groot onpersoonlijk vuil gedrocht. En het zou er ‘gevaarlijk zijn, met al die verschillende culturen bij elkaar. Al die buitenlanders. Al die werklozen, daklozen en troostelozen. Met al die straatintimidatie en al die sociale tijdbommen’. Het onderwijs is er niet evident. De werking van de verschillende gemeentes ook niet. Stad Brussel evenmin. Niets werkt er. Alles staat er in de file. Aanslepende politieke dossiers en bouwvergunningen incluis. De trottoirs liggen vol losgeslagen zwerfvuil wist iemand me onlangs te vertellen toen hij hoorde dat ik in Brussel woon. Hij vroeg zich eveneens af of ik een hondenleven leid in één van de opeengepakte koterijen of in een bouwvallige huis. Allez! Brussel is evenzeer verval als bloei. Oké, je kan er verdriet lezen in de straten. Pleinen liggen er triest bij of worden plat gereden door pendelverkeer. Maar we picknicken er tegenwoordig. En zeker, straten langs het kanaal verdienen bomen en bloemekes, maar actieve burgers steken zelf de handen uit de mouwen van hun werkkledij tegenwoordig. De steegjes in braakliggend Brussel kronkelen zich krom en oud. Onlogisch, onzijdig en om bij te huilen. Onverwachts. Eigenzinnig.
En om van te houden.

Het is een slordige metropool met een groter dan gemiddeld percentage nachtbrakers en slapeloze stedelingen. Maar tolerant. Een anonieme stad vol typetjes en karakterkoppen, vol lichamen die hun plek zoeken. Brussel heeft charme, is een vuile underdog en wordt onderschat. En ja, ik krijg er soms eelt van in mijn hoofd. Ik maak me geen illusies over haar lieflijkheid. Maar het zit in mijn instinct om de schoonheid van onze verfrommelde stad met neergepende gewaarwordingen van al mijn zintuigen te verdedigen.

Brussel is een stad met een smoel. Vol rauws. “Iedereen is geserveerd, dan ga ik een sigaret roken”, roept de uitbaatster van een brasserie. “Dan mogen we vanaf nu self-service doen”, grapt één van de cafégangers behoorlijk beschonken. Hij draait de tapkraan 180 graden om tot over de toog en houdt er zijn mond onder. Een andere klant neemt van op de floeren zitbank aan de overkant van de toog zijn fototoestel in zijn knokkelige handen. ‘”Neen, neem geen foto van mij. Want ik weet al wat je daarmee gaat doen. Je gaat die inkaderen en vogelpik spelen met mijn hoofd”, roept de man vanuit zijn filmische houding. De vrouw aan zijn zij met voor haar een 33cl. pils, probeert zich in het gebeuren te mengen, maar niemand reageert. Ze kijkt haar man even aan, op zoek naar enige blijk van aandacht, maar kijkt al even snel gegeneerd weg. Iedereen heeft het recht om gehoord te worden, denk ik. Ik staar naar het roze plafond en laat het geluid van de flipperkast achteraan in het café over me heen razen, vermengd met het gejoel van de voetbalmatch van RSCA op de flatscreen die aan het plafond bengelt en het amalgaam van Frans en Nederlands in de cafépraat van de mannen met te rode koppen aan de toog. De uitbaatster trekt nog een laatste keer van haar sigaret en wandelt haar volwassen speeltuin terug binnen.

“Neen je mag niet tot bij mij komen, je mag niet springen”, zegt iemand zacht. Op haar bord ligt een boerenworst met wortelstoemp. Toch springt de bastaard tot net boven de houten tafel in de bruine brasserie. Duizenden geuren dringen zijn opengesperde neusgaten binnen. Hij hoort slechts geluiden, de toon en de kleur van haar stem. Ze praat zo zacht, dat hij haar lief vindt. Ze praat zo zacht, moe van te willen slapen en van het leven voorbij te laten tikken. De manier waarop ze aan haar man die voor zich uit staart, vraagt of hij tevreden is met het warme middagmaal dat hij uitgekozen heeft, verraadt haar goede hart. Het lijkt of ze zich bij haar leven heeft neergelegd. Ik wilde haar naar een ander leven flitsen, naar een andere Brusselse kroeg aan een ander tafeltje naast een andere kompaan. Ik nip van mijn koffie en zie nog net hoe de hond er zo laag mogelijk tegen de grond en met zijn staart tussen zijn poten vandoor snelt met driekwart saucisse in zijn muil. Instinct kan je niet fnuiken.

Op een middag in kaaswinkel Catherine, Zuidstraat 23,bestelt een meneer een ‘mi kilo de fromage’. De vrouw achter de comptoir verstond duidelijk iets anders: “Huit kilo de fromage?”, roept ze verbaasd uit. “Non non, seulement un d’mi kilo!”, roept de man terug en iedereen in de wachtrij – die er telkens is – schiet in de lach.

Iedereen is slechts een aanzet. Ik geloof in de maakbaarheid van bijna alles: ik ga koppig prat op de mogelijkheid uit het risico halen. Op dat vlak is Brussel een dagelijkse schat. Niets moet voor altijd zijn. Ook al verhuis ik ooit nog naar een andere plek, het gaat om de dingen die we hier zien gebeuren elke dag. Om het feit dat ze gebeuren. Die rake no-nonsense. En het gaat er om, door de eigenzinnige straten van deze stad met een smoel, onze eigen gang te vinden. Instinct kan je niet fnuiken.

2686_1444129072480_dFvUO33ATZ_logo.jpeg

Baby let me follow you down

Ze kent Bob Dylan niet, poetst telefoons bij Mobistar en gokmachines in een Casino dat ik niet ken. “En gij kent dat niet? Ze maken daar toch reclame over op den tv, allez?”. Bob Dylan versus Casino:1-1, we zijn aan elkaar gewaagd. Ik kijk naar mijn mp3 speler alsof ik er van verwacht dat hij me aangeeft dat ik beter blijf luisteren naar ‘Blood on the tracks’ of dat ik deze treinconversatie gewoon moet aangaan en dat de reden daarvoor mij nog wel duidelijk zal worden.

Ik had namelijk in Antwerpen-Berchem een vertrouwde trein naar Brussel genomen. Het leek trouwens alsof ik de enige was. De hele trein was leeg, niemand te zien. Ik legde mijn voeten op het tafeltje in het midden van een vierzits en ik besloot kerstdag te eindigen met Bob Dylan, die mij er altijd weer aan herinnert dat ik niet mag vergeten onder de sterrenhemel te dansen – ‘with one hand waving free’. En dat als je goed luistert, de antwoorden op je vragen in het waaien van de wind oplaaien. Hij geeft me altijd moed en het gevoel dat ik op mijn eentje de wereld kan doorstaan.

Toen stapte zij op in Mechelen. Ze was zijdelings op haar zetel gaan zitten alsof mijn leven een film was – bij wijlen – en ze op de eerste rij wilde zitten. Ondeugend had ze me aangekeken. Plots was ze beginnen giechelen en krolde ze zich op als een kat tegen de zetel. Haar haar kreeg elektriciteit van de wrijving van haar vlijende bewegingen. Ik had de mp3 speler uit mijn oren gehaald en hoorde: “Het is precies goeie muziek. Uw kop gaat zo heen en weer”. “Bob Dylan”, had ik samenzweerderig gezegd. Maar ze kende hem niet. Ik liet haar even luisteren. “Dat is niet van mijnen tijd”, had ze gezegd. En dat ik nog een jong ding ben en dat ik daarom Bob Dylan ken. En dat zij Miranda heet en van ’69 is.
(tiens, toen had Bob Dylan al een ‘Greatest Hits’ uit… maar oké.).

De display van mijn mp3 speler geeft aan dat inmiddels het volgende lied beginnen spelen is. “Don’t think twice, it’s alright’”. Ik neem het advies aan, besluit volledig volgens mijn natuur de treinconversatie aan te gaan en kijk naar de onbekende vrouw die nog steeds naar me lonkt. “Dus gij kent dat Casino niet? Ik vind het leuk om te poetsen. Het is rustig en er zit niemand achter mijn gat”. Plots laat een felblonde kerel zich op de zitbanken achter haar gat glijden.

“Jij bent van ’69, Miranda. Ik ben Bert, van ’73. En jij bent van ’86, ik voel dat aan”, zegt hij met zijn wijsvinger op mij gericht. Hij gokt juist. Hij zegt dat ik in juni geboren ben. Hij zit dichtbij, ik verjaar in mei. Hij zegt dat ik een Tsjernobylkind ben. En dat mijn huid wel nog jong en effen is en dat vast meer mensen mij dat vertellen. En dat hij op de dag van mijn verjaardag verliefd werd op een panda. Op een Fiat Panda. En de dag dat ik tien werd, op Miss België die net verkozen was. Zijn geheugen lijkt ontzettend groot en helder. Hij prevelt vervolgens nog een tijdje over dagen en over Missen en staart voor zich uit – hij ziet ze waarschijnlijk één voor één terug op zijn netvlies passeren.

Ik vraag hem of hij zich graag met Astrologie bezig houdt en of hij daarom mensen hun geboortejaar en sterrenbeeld kan raden. Ik heb eens een lief gehad. Ja. En zij zat er wel vaker boenk op. En dit keer bedoel ik daarmee dat zij wanneer ze nieuwe mensen ontmoette, na een tijdje hun gedrag te observeren, kon aanvoelen wat hun sterrenbeeld was. Ik vraag me af hoe zij gisteren kerstavond doorgebracht heeft… Enfin soit, Bert antwoordt mysterieus dat hij graag met tijd bezig is en hij staart opnieuw voor zich uit. Miranda vraagt hem of hij kan berekenen op welke dag ze verjaart. Ze zegt me dat het op een maandag was. Jah. Natuurlijk zegt Bert na een staaltje concentratie dat ze op een maandag geboren is. Converteert hij echt verjaardagen à la carte? Hij is intelligent, maar de echte test zal hem liggen in het raden van mijn geboortedag. Na duizend verbindingen in zijn hersenen waarbij hij een logboek leek te doorbladeren in zijn hoofd, meldt hij dat 10 mei een zaterdag geweest moet zijn.

Miranda moet blijkbaar wat kwijt, aangelengd door de jenevers die ze de hele namiddag dronk. Ze vertelt dat ze haar dochter heeft gehaald in de GB. Mijn effen huid frommelt op, ik begrijp er niets van – van deze hele conversatie niet. “Amai, wat een kop, Jill. Ja, op een kwartier persen was ze er uit. Ik heb haar in de GB in ‘de reclam’ gekocht, he. Hare papa, mijn ex, die woont in Mechelen. Ik kom juist van bij hem. We komen juist terug goed overeen, seg”. Ik kan er mij iets bij voorstellen… dat hìj achter haar gat zit, dat vindt ze dan wél leuk. “Maar er is nog een man bij wie ik soms slaap hoor. Ik zal wel zien”. Niet vergeten dat Bert ook nog altijd achter haar gat zit: “Ja, je zal wel zien. En jij moet nog zo ver vanavond, helemaal alleen naar de zee. Zal ik meekomen?”, pikt hij in. Een imperfecte imitatie van Bobs’ ‘Baby, let me follow you down’ man, heb ik als binnenpretje.

Hij weet mijn glimlach en Miranda’s geshoqueerde blik niet goed te plaatsen. Hij raakt in paniek en begint heen en weer te wiegen. Opnieuw staart hij ons minutenlang aan. Miranda zoekt mijn ogen en bescherming en ik, ik kan haar niet gerust stellen. Ik besef dat ik weer in een ‘opmerkelijke’ situatie terecht gekomen ben en ik vergewis mezelf ervan dat ik hier rustiger op reageer dan anders. ’t Is te zeggen, met een groter ‘none of my business’-gehalte. Mijn medemens zoekt mij en ik, ik trek mijn grenzen. Elke grens groeit een millimeter meer aan mijn eerste rimpel. Ik voel mezelf volwassener worden these days. Daar gaat die effen huid…

Zijn manier van sociaal contact initiëren is bizar. Zonder besef van de prikkels uit zijn omgeving stelt hij doodleuk voor om ‘emailadresjes te verzamelen’ en elkaar te schrijven over onze gedeelde ervaringen. Zijn waarnemingen lijken uit losse fragmenten zonder samenhang te bestaan. Het lijkt alsof hij de buitenwereld controleerbaar wil maken via zijn keuze voor onderwerpen. De nacht voor mijn examen psychologie flitst door mijn hoofd. Doorlopende koffie, notities op ruitjespapier en een knoert van een cursus met op pagina 295 de kenmerken van autisme. Bert verzekert ons ervan dat hij dat nog doet met mensen, emailen. En dat ze hem soms ook terug schrijven. Toch efkes twee keer nadenken. Zelfs in de barmhartige sfeer die rond kerst hangt, weer ik dit aanbod af. “Waarom niet?”, vraagt hij misnoegd. Miranda kijkt me aan met ogen die hopen dat ik een sociaal wenselijk antwoord zal geven. Ik doe al genoeg aan solidariteit, wil ik zeggen en draai mijn tong tien keer om.

Nous arrivons à Bruxelles-Midi. “Ben je zeker dat ik niet moet meekomen naar bij u thuis”, probeert Bert nog, onbestemd. Ik zeg gedag ‘with one hand waving free’ en verlaat de wagon van het kerstverhaal over de autist, de dolle poetsvrouw en het jong ding dat net zo min als Bob Dylan sociaal wenselijk kan zijn.

Als ik thuiskom vraag ik in een sms aan mijn moeder op welke dag ik ben geboren. Op een zaterdag, zo blijkt… Hij had dus toch gelijk. “Tijdens een hevig onweer”, stuurt ze me nog in een tweede berichtje. Zou Bert a.k.a Rain Man dat ook geweten hebben?

www.onlineconversion.com/dayborn.htm

5864dc37364bcfc6e5ff27555aff4adc

hard: ♪Baby let me follow you down – Bob Dylan

&

soft: ♪Baby let me follow you down – Bob Dylan

Het kost niet veel

Een warrige haardos, een verwarde tong, logge laarzen, een lijvige jas en een blik Jupiler van een halve liter in zijn hand. De man stapt op in Brussel-Zuid en kijkt vriendelijk de treincoupé rond. Hij ziet eruit alsof hij weet wat hij wil vertellen. Hij neemt plaats naast een andere man. Die man is afwezig, bezig, op zijn draagbare computer – zijn draagbaar werk. Hij is eerder net gekleed. Gereserveerd.

Ik heb mijn mp3-speler aanstaan. Ik doe dat niet vaak, maar na een dag werken, doet muziek mij altijd deugd. Sommige plekken nodigen mij daartoe ook uit. Stations, treinen, metro’s, doorgangsplaatsen, ik kan er zo lekker gewoon passeren en alles laten plaatsvinden. Je hoeft nergens aandacht aan te schenken. Je kan een moment van rust scheppen, om de werkdag achter te laten, of die nu goed of slecht was. De twee mannen intrigeren mij. Ik zet mijn muziek af, het moment wint en ik luister naar wat er zich in de trein afspeelt.

De man met de dikke laarzen zit intussen recht tegenover de andere man. Alsof die ander hem gevraagd heeft om aan de overkant te gaan zitten. Omdat hij de geur van drank, van vermoeidheid en van een vrijdagavond onuitstaanbaar vindt. Intussen heeft de gereserveerde man ook zijn draagbare computer weggestopt. Al is het niet om te praten met de gelaarsde man, maar om uit het raam te kijken, weg van zijn overbuur. Hij doet overigens hard zijn best om te doen alsof hij dat uitermate belangrijk vindt, of nodig heeft.

De man met de verwarde haardos houdt met zijn ene hand twee zakken vast. In één daarvan zit een meloen. In de andere hand houdt hij zijn halve liter. Hij geniet er duidelijk van, na een lange, harde werkdag, denk ik. Hij stelt de andere man allerlei vragen. “Past kaneel bij gebakken appelen en merguez? Of zou ik beter een andere specerij aan het gerecht toevoegen?” De andere man geeft geen kik. Heeft hij geen culinair advies, voelt hij zich gegeneerd of wil hij liever niet praten? Hij blijft in elk geval star uit het raam staren.

De trein zucht plots en de zak met de meloen valt en rolt ver naar voren. De eigenaar zet zijn biertje op de zetel, lacht lief, geamuseerd, zelfs vertederd en hurkt neer om de meloen op te rapen. “Ik heb hem terug. Ik moet uitstappen in Buizingen. En u?” vraagt hij. “In Lot”, antwoordt de andere man kort. We passeren Vorst-Zuid, een halte waar ’s avonds vooral arbeiders met logge laarzen en lijvige jassen opstappen. De man met de meloen wijst naar de fabriek van Audi die daar gelegen is. “Fabriek”, zegt hij. Hij lijkt even ver weg in gedachten verzonken, naar een ander land, zo ver, en hij houdt zijn blik op dat gebouw gericht tot het industrieterrein uit het zicht verdwijnt. “En nu ga ik naar huis, naar mijn vrouw. Ik heb zo’n lieve vrouw…”. Hij zegt het zo zacht, zo gemeend, dat ik bijna kan voelen welke tederheid er tussen hem en zijn vrouw plaatsvindt.

We komen aan in Lot. “Bedankt voor het gesprekje en een goede avond nog”, zegt de gelaarsde man en hij heft zijn biertje op. De nette man kijkt niet om en maakt dat hij weg is. Het kost nochtans niets, een ‘goeiedag’.

Als we de volgende halte naderen, Buizingen, merk ik dat de zak met de meloen opnieuw verdwenen is. We kijken allebei rond. “Het kan geen kwaad, het kost niet veel, een meloen”, zegt hij. Ik bedenk me dat de man weet waarvoor hij elke dag gaat werken, in zijn robuuste plunje. Hij werkt om naast het werk zijn leven te kunnen leiden. Om zijn vrouw af en toe eens uit eten te kunnen vragen, om haar te verrassen met een boeket bloemen, of met een uniek stuk fruit.

Ik sta op en vraag aan de achterste banken of niemand een meloen heeft gezien. Hoewel ik de context ken, klinkt de vraag toch geestig. Iemand wijst naar de grond wat verder op. Daar ligt het zakje. Ik raap het op en zoek de man. Hij staat al aan de deur om uit te stappen en knoopt zijn logge jas zorgvuldig toe. Het wordt herfst, het wordt wat frisser en het wordt vroeg donker. Hij kijkt verrast op. “Nog een lieve vrouw”, zegt hij. Ik moet lachen, geamuseerd, vertederd zelfs.

gele-halve-meloen-en-wildflowers-58492758

Azra

Ik sta in mijn ondergoed in de trappenhal van haar appartement.
Het vriest, het sneeuwt, het is nog nooit zo koud geweest. En ik heb al gehuild in Wenen. Deze nacht. Wanneer ik begreep dat mijn bezoekje er op zat, dat ik na drie uur slapen mijn trekrugzak zou pakken en moest gaan.

“Maak je ons wakker straks?”, vroegen de twee zussen terwijl ze de joint nog een laatste keer doorgaven en zich in hun lakens draaiden.
“Tot straks”, knik ik. Niet tot binnen een jaar of twee, maar tot straks.
Stil sloop ik de slaapkamer uit. Ik hou niet van afscheid en ‘tot straks’ vind ik mooi.

En daar sta ik dan in mijn slip. Stil te staan bij het besef dat ik mijn kousen binnen in hun appartement vergeten ben. Ik heb nog zo’n 16 uur te reizen voor ik in Brussel thuiskom… Plots schiet de man van het ‘Peperkoekenhuizeke’ uit de Tiensestraat in Leuven door mijn hoofd. En dat hij de stoep voor zijn winkel met patchouli poetste en dat hij mij er tijdens mijn sandalenstudententijd op wees dat je sneller ziek wordt als je voeten kou krijgen. Ik trek gauw de rest van mijn kleren aan en voel de sneeuw onder mijn voeten kraken.

Op de bus richting de luchthaven van Bratislava zit nog iemand. Één iemand. Azra. Ze staart door het raam. Ze mijmert. Het lijkt alsof ze niet goed weet of ze moet vertrekken. En ik weet het ook niet. Ik spot een trekrugzak op het zitje naast haar en redeneer dat ze voor een tijdje vertrekt en dus wel kousen bij zal hebben. De bus begint te rijden, ze schrikt op en legt Björk het zwijgen op. Ze werpt de mp3 speler op haar schoot en ik probeer haar ogen te vangen.
“Hallo. Ik heb een gekke vraag. Je ziet eruit alsof je op reis vertrekt. Ergens naartoe gaat voor een tijdje. Je zal vast kousen bij je hebben…? Ik ben de mijne in deze stad vergeten. Zou ik misschien een extra paar van jou mogen… lenen?”.
Ze lacht. Luidop. Geamuseerd. Ze kijkt me warm aan en zegt dat dat inderdaad een gekke vraag is. Oranje, gele en blauwe streepjes krijg. Plus warme voeten.

Enkele uitgewisselde kousen, vriendschap en jaren later reist zij van Rotterdam met de trein via Antwerpen naar Brussel-Zuid. Daar zal ze de bus nemen richting Charleroi en daar vliegt ze terug naar Wenen. Ik stap in Antwerpen op die trein zonder dat zij het weet. Ik kijk naar alle mensen, zoek alleen haar. Ze hangt wat te slapen op een plekje naast het raam. De spitstrein zit overvol pendelaars. Ik zet me neer op de grond, teken een bloem, geef het briefje aan de man naast haar en vraag hem om het op haar tafeltje te leggen. Een halte later, in Mechelen, stappen al heel wat mensen af. Ik durf hem te vragen om te wisselen van plaats. Zij slaapt en ik zit zo stil mogelijk naast haar neer. Ik zie dat ze even opkijkt, dat ze ziet dat de zon over de velden uitloopt en dat ze lacht. Ze kiest een volgend liedje op haar mp3 speler. Ze kijkt niet om zich heen. Ze is graag alleen onderweg en reist haar eigen verhaal bijeen.

Brussel-Noord. Straks moeten we afscheid nemen en zij weet van niets. Zacht leg ik een hand op haar schouder. Ze opent haar ogen en hapt naar adem. Ze sluit haar ogen, ongelooft en lacht.

Brussel-Zuid. Die louche taxi hebben we afgewimpeld en haar bus naar de luchthaven van Charleroi staat op vertrekken. Wij staan stil. “Tot straks”, zegt ze.
Nu ben ik het die naar adem hapt. Ik hou niet van afscheid en ‘tot straks’ vind ik mooi.

541679_10151209054622102_1958306004_n

Ge kunt dat, en toch

Hoe telefoneert ge met uw lief
Als ge haar eigenlijk wilt kussen.

Hoe vertelt ge dat ge het sexy vindt wanneer ze nadenkt
over wat ze wil gaan zeggen.
En evenzeer wanneer ze uiteindelijk wijselijk besluit te zwijgen.
Hoe vertelt ge haar dat ge haar erg interessant vindt.
“Moest ik u nog niet kennen en u tegenkomen op café met uw Trippel
en met uw cafépraat…
Ik zou mijn ogen niet van u kunnen afhouden. Omdat ik u interessant vind, ja.
En razend knap”.
Zo?

Hoe laat ge haar voorzichtig weten dat ge haar mist,
maar dat alles ook wel goed met u gaat?
Dat de wereld dus niet vergaat. Dat ge een hele dag nog niet hebt gepraat. Maar dat er altijd dingen zijn waarvan uw hart overslaat.

Hoe vertelt ge dat ge zonder haar zou kunnen leven. Perfect.
Maar enkel met haar levensecht.

Moogt ge dat vertellen, dat ge haar nodig hebt?
Want ge zou haar niet roepen als ge op’t toilet zit en de bel net zou gaan… ge zou efkes vloeken, wat harder drukken, u spoeien en zelf gaan opendoen, natuurlijk.
Ge zijt een plantrekker.
Maar toch hebt ge haar nodig.
Ge kunt u zelf wel wassen in den douche – en stiekem wilt ge al het lekker warme water helemaal voor uzelf – maar toch glimlacht ge als zij met haar schoon handen over uw lijf wrijft.
Ge kunt zelf koffie zetten. U voor het kleinste en voor het grootste sterk maken.
Ge kunt dat echt.
En toch aan haar uw hart willen luchten.

Ge kunt kerstavond perfect apart vieren,
met de mensen die ge al jaren rond u wilt hebben
en met de nieuwe mensen in hun leven, erbij.
Met kaarsen schoon op de tafel geschikt.
Met alles exact op zijn plaats.
En toch nog een seconde twijfelen om de allerlaatste trein te nemen, naar haar.

Vertelt ge zo’n dingen dan aan iemand? Als ge een plantrekker zijt?

311891_10151035563872102_1875320143_n.jpg