Iemand vraagt waarom

Kunnen jullie het, leven?

Er waren eens mensen
en zij probeerden het zo:

“Het was vandaag een goede dag,” zegt iemand, “want het had erger gekund.” “Ja”, zegt nog iemand. “Zonder man voel ik mij geen vrouw”, zegt iemand anders.“Hah.. dan ben je jezelf nog niet tegen gekomen”, zegt nog iemand anders.

“Ik was u kwijt.” “Ik u niet.”

Een vrouw met kroezelhaar wordt wakker en vraagt “wat heb jij net gezegd?” “Snot.” Hij herhaalt dat van dat snot. Zij kuist dat snot af. Hij kijkt haar aan. Zij kijkt weg. Hij blijft haar aankijken. Hij begint te fluiten. En zelfs al fluitend blijft hij haar aankijken. Net daarvoor had hij tegen een slapende vrouw gezegd dat haar kind met kroezelhaar snot had hangen. Al fluitend blijft hij haar aankijken.

Er stokt iets in mij en die stok die schraapt mijn slokdarm. Deze tram, deze stad vol allene mensen grijpt mij vanbinnenuit naar de keel.

Een vrouw gekleed in gekleurde gewaden zit te dicht bij. Het heeft niets met haar te maken. En ik vind de kleuren die ze draagt wel mooi. Ze zit enkel te dicht bij. Te weinig ruimte. Te dichtbij. Zoals bij een prille verliefdheid, dat je denkt: “Wo, dat komt nu toch wel echt dichtbij.” Een jongeman met zijn haar in een kuif naar rechts gestreken, draait zijn hoofd naar links. Een man met een leren lege aktetas zegt dat hij vandaag de neiging heeft om achterover te vallen. Hij zegt het zomaar luidop in tram 12 – traject Sportpaleis tot aan ’t Zuid.

“Zijt gij aan het liegen? Gij zijt aan het liegen. Weet ge, mij moet ge niks wijsmaken. Dat ik die hele kamer met javel moet kuisen … zal het gaan!? Gij zijt niet normaal. Gij wilt gewoon echt problemen veroorzaken”, zegt een vrouw in haar mobiele telefoon. Ergens is er dus een zwart schaap. En ergens staat er een bus javel – onaangeroerd.

Een Spaanse toeriste die gisteren klaarblijkelijk Brugge bezocht, zegt dat ze alleen zegt wat ze denkt. Dat moet dan veel zijn, denk ik, maar zeg het niet. Een vrouw met een boek op haar schoot stopt niet met praten. Het boek zucht. Sommige gesprekken zouden moeten gewist kunnen worden. Anderen dan weer bewaard.

Een jonge vrouw vertelt dat ze in een Worddocument het woord ‘thuisvoelen’ schreef. En dat ze het volgens de spellingchecker verkeerd geschreven had. Het zouden twee aparte woorden moeten zijn. Maar zij vindt thuisvoelen veel mooier aan elkaar geschreven. Ik ook.

De tram kreunt en komt tot stilstand. Twee blinde mannen stappen uit, tikken met hun stok tegen de straat, wensen elkaar goed thuis, wandelen parallel naar huis. Iemand zegt: “Ik zal haar zeggen dat ik het vergeten ben.” Ze legt af. Ze belt iemand op. “Ik bel je om te zeggen dat ik het vergeten ben.”

Ik ben vergeten wat ze vertelden over jou. Ik weet alleen nog wat je met mij doet …

Een gladgeschoren dertiger belt naar huis, zegt “coucou” en dat hij later thuis zal zijn dan gepland. Iemand vraagt waarom.

De vrouw naast hem briest nerveus: “Blijf rustig. Ook al ben je bang, toon het niet aan je kat. Ja, oké, ze klom in die boom. Maar jij moet rustig blijven. Niet tonen aan je kat dat je bang bent. Dat zou projectie zijn. Ken je dat, projectie? … Ja, maar blijf nu toch rustig!”

Ik blijf rustig. Ik stap de tram uit en ben rustig. Ik loop het zebrapad over. Iemand heeft mij eens gezegd dat ik niet zo moet lopen. Dat ik ook kan wandelen. Klopt. Ik mag verlangzamen. Me thuisvoelen. Allebei in één woord geschreven.

Aan de tramhalte hoorde ik nog juist iemand zeggen dat ze van zodra ze kan, ze de ruimte zal gaan klaarzetten. Die zin had ik niet willen missen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. De wonderen zijn de wereld.

Het was vandaag een goede dag. Niet om van achterover te vallen, maar gewoon, goed.

En de ruimte … De ruimte staat al klaar.

Screenshot_1.jpg

*Met deze tekst won ik Naft voor woord 2016.

 

Deze tekst een week later in Het Appeltje tijdens het zeer fijne traject van Fameus – Tien op de schaal van Dichter – met beeld: FILMPJE

*ik kwam net van een heerlijk weekend in Parijs en was deze avond in Het Appeltje mijn oriëntatie, de kluts én mijn tekst kwijt. Ik vergat: “Een vrouw gekleed in gekleurde gewaden zit te dicht bij. Het heeft niets met haar te maken. En ik vind de kleuren die ze draagt wel mooi. Ze zit enkel te dicht bij. Te weinig ruimte. Te dichtbij. Zoals bij een prille verliefdheid, dat je denkt: “Wo, dat komt nu toch wel echt dichtbij.” Dankjewel Gust Peeters voor het beeldmateriaal!

*Een dankbaar hart voor dit hert:
This Is Hert maakte 2 liedjes gebaseerd op m’n stukje ‘Iemand vraagt waarom’ https://verhaalgemaak.wordpress.com/…/…/iemand-vraagt-waarom/ voor het project Entramie  — songs te beluisteren via beide fbpagina’s.

 

♪People Watching – Jack Johnson

Advertenties

De gedachte die erachter zat

Ze barst.
Ze barst in een schaterlach uit.
We zitten aan het Zuidstation in Brussel naast elkaar op een bank
onder de treinsporen aan Avenue Fonsny.
We wachten op tram 83 richting Montgomery, die binnen 1 minuut aankomt.
Haar glimlach maakt het begrip ‘hartverwarmend’ voelbaar. Ze barsten.
De bevroren ijspegels rond mijn gebroken hart trillen, barsten en breken.
Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.

Blij dat er iemand is om naar te lachen, vertelt ze me dat ze gelukkig wordt
van de vrouw aan de overkant van de sporen – tram 83 richting St. Agatha Berchem:
“Zij zingt, danst en glimlacht naar iedereen die haar voorbij wandelt.
Zonder alcohol. Sans alcool. Simplement … content.
Dans le présent, in het moment.”
Ze vertelt me dat deze vrouw buiten slaapt, op straat.
Dat als we nu allemaal zouden omkomen door één of andere storm,
chemische aanval of ijstijd, zij wel – zij wél – deze wereld gelúkkig verlaat.
Ze vertelt dat haar eigen dochter van 14 dit had moeten zien
en dat ze een beetje speciaal is. “Elle est un peu spéciale. Gelukkig maar.”
Ze kent ook een verhaal over een rijke man
die op een zeker moment in zijn leven teveel schoonheid
in andere mensen gewaar werd …
Hij besloot daarom boeddhist te worden.
Ze vertelt dat we meerdere levens hebben
en dat we niet in ons verleden mogen gevangen blijven zitten.
Dat we het een plek moeten geven en dan naar onze toekomst horen te kijken.
Ze drukt uit wat ik de laatste dagen ervaar en waar ik voor kies.

Ik moet de tram al uit aan de halte Koningslaan. Zij rijdt nog wat verder.
Ik geef haar een hand en zij wenst mij nog veel geluk.
Ze zegt dat ik een aardige glimlach en ‘iets kunstig over mij’ heb.
Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.
“Omdat jij veel absorbeert. Teken of schilder jij misschien?”
“Ik schrijf heel graag”, zeg ik.
En waarschijnlijk ook iets over deze ontmoeting,
over uw glimlach en over de gedachte die er achter zat,
denk ik terwijl ik hartverwarmd de tram uitstap.
Mijn eigen ijstijd is zonet geëindigd.
Dans le présent. In het moment.

“Vous aussi vous êtes un peu spéciale. Gelukkig maar”, wil ik haar vertellen
terwijl tram 83 uit het zicht verdwijnt.
Ik wandel naar huis en denk aan de vrouw die deze wereld gelukkig verlaat.
Zij wel – zij wél.

dyn010_original_640_391_pjpeg_2565708_cb9b7ebde4ff6778732f0704ababcd34