Azra

Ik sta in mijn ondergoed in de trappenhal van haar appartement.
Het vriest, het sneeuwt, het is nog nooit zo koud geweest. En ik heb al gehuild in Wenen. Deze nacht. Wanneer ik begreep dat mijn bezoekje er op zat, dat ik na drie uur slapen mijn trekrugzak zou pakken en moest gaan.

“Maak je ons wakker straks?”, vroegen de twee zussen terwijl ze de joint nog een laatste keer doorgaven en zich in hun lakens draaiden.
“Tot straks”, knik ik. Niet tot binnen een jaar of twee, maar tot straks.
Stil sloop ik de slaapkamer uit. Ik hou niet van afscheid en ‘tot straks’ vind ik mooi.

En daar sta ik dan in mijn slip. Stil te staan bij het besef dat ik mijn kousen binnen in hun appartement vergeten ben. Ik heb nog zo’n 16 uur te reizen voor ik in Brussel thuiskom… Plots schiet de man van het ‘Peperkoekenhuizeke’ uit de Tiensestraat in Leuven door mijn hoofd. En dat hij de stoep voor zijn winkel met patchouli poetste en dat hij mij er tijdens mijn sandalenstudententijd op wees dat je sneller ziek wordt als je voeten kou krijgen. Ik trek gauw de rest van mijn kleren aan en voel de sneeuw onder mijn voeten kraken.

Op de bus richting de luchthaven van Bratislava zit nog iemand. Één iemand. Azra. Ze staart door het raam. Ze mijmert. Het lijkt alsof ze niet goed weet of ze moet vertrekken. En ik weet het ook niet. Ik spot een trekrugzak op het zitje naast haar en redeneer dat ze voor een tijdje vertrekt en dus wel kousen bij zal hebben. De bus begint te rijden, ze schrikt op en legt Björk het zwijgen op. Ze werpt de mp3 speler op haar schoot en ik probeer haar ogen te vangen.
“Hallo. Ik heb een gekke vraag. Je ziet eruit alsof je op reis vertrekt. Ergens naartoe gaat voor een tijdje. Je zal vast kousen bij je hebben…? Ik ben de mijne in deze stad vergeten. Zou ik misschien een extra paar van jou mogen… lenen?”.
Ze lacht. Luidop. Geamuseerd. Ze kijkt me warm aan en zegt dat dat inderdaad een gekke vraag is. Oranje, gele en blauwe streepjes krijg. Plus warme voeten.

Enkele uitgewisselde kousen, vriendschap en jaren later reist zij van Rotterdam met de trein via Antwerpen naar Brussel-Zuid. Daar zal ze de bus nemen richting Charleroi en daar vliegt ze terug naar Wenen. Ik stap in Antwerpen op die trein zonder dat zij het weet. Ik kijk naar alle mensen, zoek alleen haar. Ze hangt wat te slapen op een plekje naast het raam. De spitstrein zit overvol pendelaars. Ik zet me neer op de grond, teken een bloem, geef het briefje aan de man naast haar en vraag hem om het op haar tafeltje te leggen. Een halte later, in Mechelen, stappen al heel wat mensen af. Ik durf hem te vragen om te wisselen van plaats. Zij slaapt en ik zit zo stil mogelijk naast haar neer. Ik zie dat ze even opkijkt, dat ze ziet dat de zon over de velden uitloopt en dat ze lacht. Ze kiest een volgend liedje op haar mp3 speler. Ze kijkt niet om zich heen. Ze is graag alleen onderweg en reist haar eigen verhaal bijeen.

Brussel-Noord. Straks moeten we afscheid nemen en zij weet van niets. Zacht leg ik een hand op haar schouder. Ze opent haar ogen en hapt naar adem. Ze sluit haar ogen, ongelooft en lacht.

Brussel-Zuid. Die louche taxi hebben we afgewimpeld en haar bus naar de luchthaven van Charleroi staat op vertrekken. Wij staan stil. “Tot straks”, zegt ze.
Nu ben ik het die naar adem hapt. Ik hou niet van afscheid en ‘tot straks’ vind ik mooi.

541679_10151209054622102_1958306004_n

Advertenties