Dürüm

Ik heb iets met mannen. Ik wil mijn leven delen met een vrouw. Maar ik heb iets met mannen. Met Soran dacht ik dat het een toevalstreffer was. Na de banaan bij de snack om de hoek en na de ontmoeting met Süleyman, weet ik het zeker. Ik heb iets met mannen.

Met mannen die een dürümzaak uitbaten, wel te verstaan.
En neen, ain’t no maneater… Ik ga er wel degelijk voor het vlees. Dat klinkt nog steeds dubbelzinnig. Het zit zo. De dürümzaken waar ik naar blijf terugkeren, zijn die waar ik de volgende combinatie terugvind: vlees van goede kwaliteit met een lichte bruin gebakken korst dat aan een braadspies ronddraait langs een warmhoudrek achter de toonbank én een uitbater die zoekt naar het menselijk contact bij de klanten. Hij zoekt het achter hun formaliteit, achter hun hongerige ogen, achter ‘een dürüm met goed veel andalouse alstublieft’.

Zoals Soran. Een 58-jarige man van Koerdische afkomst. Een held, een filantroop, een intellectueel die blinkt – en mij ontroert – als hij over boeken praat. Hij studeerde filosofie in Turkije, journalistiek in Duitsland, Germaanse filologie in Griekenland. Hij las Jane Austen, uren en avonden lang. Of werken van de familie Brontë, “al die mooie romantiek”, noemt hij het. Hij las Virginia Woolf en Hugo Claus door elkaar. “Maar met dat lezen sta je nergens. En ‘s morgens moet je vroeg opstaan om te gaan werken”, wimpelt hij wel vaker zijn kwetsbare kant weg. Voor de meeste mensen is hij echter een buitenlander, een kleine zelfstandige met een andere kleur die kebab verkoopt. Ik krijg het altijd warm vanbinnen wanneer ik opmerk dat iemand het doorheeft. Dat hij een belezen man is, een professor eigenlijk. Wanneer hij iemands mond doet openvallen van verbazing met zijn wijsheid en zijn zachtheid. Dan krijg ik zin om er van achter de comptoir een blokje fetakaas in te werpen, om ‘score’ te roepen en om Soran een high-five te geven. Maar ik heb geleerd om niet altijd te uiten wat ik denk (schrijven mag gelukkig wel).

“Negen jaar heb ik deze winkel gehad en ik zou nooit zoveel van mensen geleerd hebben zonder deze zaak…”, mijmert hij. Ik gooi een blokje fetakaas in mijn eigen open mond. Ik heb tijdens het werken met hem zelf enorm veel geleerd van deze lieve man, inmiddels één van mijn beste vrienden. Soms vraag ik mij af wat hij in mij heeft gezien. Op mijn eerste werkdag vergat ik voor een meisje die filosofie studeerde, de hamburger tussen haar bickyburger met curryketchup te plaatsen. Toch hield hij mij in dienst.

De snack een paar straten verder van mijn appartementje in Vorst komt in de buurt van de voor mij vereiste combinatie. Het vlees draait er dan wel niet rond, maar een van de medewerkers zoekt wel degelijk naar menselijk contact bij de klanten. Zo vond ik laatst naast de hamburger ook zijn telefoonnummer tussen mijn bicky met curryketchup. En je – iedereen, dat staat los van de versiertruc – krijgt er steevast een banaan of een flanneke mee voor niets.

En dan is er de snack op de Wielemans Ceuppenslaan die ik ‘Süleyman’ noem. Naar de uitbater. Wanneer ik de zaak voor de eerste keer binnenstap, zie ik de uitbater in gesprek met drie kleine Turkse meisjes. Hij speelt de grote vriendelijke beer, hijst zich halvelings over de toonbank heen en geeft hen een lolly. Ik glimlach om het tafereel. Hij betrapt mij hierop en bloost, net voor de meisjes de lolly’s gretig uit zijn hand grijpen. Hij draait zich om, schept wat pitavlees op de bakplaat en ik speur evenzeer met een blos op mijn wangen de menukaart verder af, al bestel ik al jaar en dag steeds hetzelfde.

Hij stopt mijn dürüm ‘met goed veel andalouse alstublieft’ in een zakje. Ik houd twee stukken van twee euro op elkaar gedrukt klaar in mijn hand. Wanneer ik betrapt ben geweest, houd ik mij altijd een moment lang voortreffelijk aan de gedragscode. “Wie goed kijkt, denkt goed, leeft goed en leeft op, op elk mogelijk moment”, zegt hij plots. “Jij hebt rode kaken, een menselijk hart. Dat kan je niet kopen. Het zit in jouw ‘spirit’, het is jouw instinct. Een andere vrouw kan een man klop geven op straat en niet rood worden. Jij zou rood worden, je verlegen voelen. Zoals toen je zag dat ik die meisjes een lolly gaf”. “Score”, denk ik. High-five. Fetakaas. Ik reken giechelend af en verlaat perplex de zaak. “En wat is me dat giechelen nou ook weer”, lach ik met mezelf.

De tweede keer dat ik de zaak binnenwandel, vraag ik hem hoe hij daar zo zeker van kon zijn dat ik niemand een klop zou geven op straat met mijn sacoche. “Ook hallo”, lacht hij en begint mijn dürüm klaar te maken. Hij vertelt me dat er soorten mensen zijn. “Een bij wordt als bij geboren en weet instinctief dat ze honing uit bloemen zal halen, dat ze een nest zal bouwen en dat ze een koningin, een werkster of een dar is. Een olifant weet dat hij met zijn slurf eten zal moeten zoeken. Een mens weet niet wat of wie of bij wie hij moet zijn. Er zijn mensen die kiezen om bij iemand te zijn omdat ze die persoon mooi vinden qua uiterlijk. Maar wat volgt er na de seks? Dan hebben ze elkaar niets te zeggen… Er zijn mensen die bij iemand blijven omdat die een dikke portefeuille heeft. Maar die mensen, die zijn niet vrij… En er zijn mensen die bij iemand willen zijn omdat ze uren en uren kunnen praten. Omdat ze elkaar inspireren. Omdat ze elkaar aan het lachen brengen. Omdat ze elkaars gedachten willen kussen”.

Ik denk aan de vrouw die ik ‘lief’ mocht noemen. Ik vond haar mooi, ja. Maar wij hadden elkaar wél altijd iets te zeggen. Een dikke portefeuille had geen van ons beiden. Wij waren vrij. Maar wij waren soms te vrij om tot bij elkaars gedachten te geraken, om ze te kussen.
Ik zeg hem dat ik zijn exposé apprecieer. En dat ik de volgende keer opnieuw met een vraag zal komen die hij dan mag bespreken. Hij glundert. “Het zou vreemd zijn als jij hier zou binnenkomen zonder vraag, zonder enige vraag. Want jij bent iemand die geïnspireerd raakt”. Ik sta paf.

De volgende keer kom ik in mezelf gekeerd, hongerig en zeiknat de zaak binnen. Thuis ben ik aan een boek gekluisterd en eigenlijk wil ik het liefst van al met niemand praten en alleen op de wereld verder lezen. ’Lees dit boek en je zal de liefde begrijpen’, staat er op de achterkant van de boekomslag. Het trekt de plakband van mijn lippen, scheurt mijn mond terug open, sleurt de pijn uit mijn keel en zet mij er toe aan een brief van 14 pagina’s te schrijven naar die vrouw, naar ‘lief’, die ik al maanden niet meer spreek. Ik wil met mijn gedachten tot bij haar geraken.

Toegeplooid op de vervulling van mijn basisbehoefte naar warmte, eten en wat liefde, geef ik Süleyman kort aan dat ik dit keer geen vraag heb. Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin en kijkt me een ogenblik doordringend aan. Hij ontmaskert mij. “Je loopt wel rond met een vraag, maar je wil ze mij niet vertellen”. Hij pakt mijn fijne hand in zijn reuzenhand en legt de rug van mijn hand naar boven gekeerd. Hij plaatst er zijn gsm op. Die wankelt en valt bijna. Hij kijkt of ik het goed gezien heb en keert dan mijn hand om, met de handpalm open en klaar om te ontvangen. “Kijk, in zo’n periode zit jij nu, net, na het wankelen en het vallen. Je hart en je hoofd staan terug in verbinding. En met mensen anders dan deze in verbinding, moet jij niet te veel omgaan. Ze gaan jou niets bijbrengen. Laat alles op je afkomen en als er een kans komt, maak dan plaats in je leven. Als iemand jou liefde geeft in een golf, dan ben jij iemand die jouw liefde teruggeeft in een golf. En dan heeft die ander meer liefde dan ervoor. In het begin kwam jij hier louter om te eten. En nu geef je me al een hand als begroeting en een klopje op mijn schouder als ik je doe lachen. Ik heb jou vriendelijkheid gegeven. En jij hebt mij die meteen teruggegeven”. Stil geef ik hem een klopje op zijn schouder, schud zijn hand en verlaat weerom perplex de dürümzaak. (mensen vertellen mij soms zaken, waarover ik gewoonweg moét schrijven).

Onderschat dus niemand die dürüm verkoopt. Houd je handpalmen open. En kijk altijd eerst eens tussen je bickyburger, vooraleer je misschien wel een telefoonnummer mee verslindt.

d3758079fd94eb2745485923e8ea9969

Advertenties

Ik was Rihanna bij de kapper

Ik wil stante pede terug naar buiten lopen. Bleke poppenhoofden aan een wasbak. Geen lijf te bespeuren. Scherpe scharen zwermen rond hun wangen. Kammekes en krultangen krioelen langs valse haren. Aan de grond genageld spurt ik de trappen af, de hoekjes om, nog meer trappen af. Ik loop door gangen met lage plafonds die het gewicht dragen van 300 boekentassen en banken, van verkreukeld half ingevuld huiswerk en van propvolle hoofden in handpalmen steunend op een elleboog, tot …

Één van de hoofden beweegt. Een vrouw – een levende vrouw – met onvervalst kort blond haar wordt onder handen genomen. Handen zonder scharen. Ik ontwaak uit mijn door Tim Burton gekleurde fantasie. Tien vingers met bloedrode nagellak woelen het piekerige haar van mevrouw door elkaar. Mijn zin voor realiteit dringt stilaan – steeds stilaan – door en ik zie hoe tien meisjes en een mengeling van ernst en van speelsheid de ruimte vullen. Ik bevind me in Anneessens Funck, de middelbare school op het Groot Eiland in het centrum van Brussel, bij de 5e jaars richting Haarzorg. Een vrolijke vrouw met een zwierig kleedje komt op me afgewandeld.“Ben jij Jill?”. “Ja” zeg ik.
(En ik krijg zin om te zingen “Mijn naam is Jill en ik zeg ja. Naam, familienaam”).

“Eda, jij mag mevrouw haar haar wassen”.
Hebben ze het over mij? Ben ik ‘mevrouw’? Zo blijkt. Het meisje neemt me mee. Ze heeft donker haar samengebonden in een paardenstaart vooraan op haar hoofd. Daar was Tim weer, dat laatste moet een reflectie in één van de vele spiegels geweest zijn. Eda loodst me naar de witte porseleinen wasbakken achteraan in de klas. Haar naam betekent ‘vurig’.

“Is het goed zo? Zeg het maar als het te warm is. Wil je ook een verzorging? Neen?” Veel vragen tegelijkertijd en weinig kans om te antwoorden: Met je hoofd ‘neen’ schudden is onmogelijk als je hals tussen twee uitstulpsels van zo’n wastafel ligt. ‘Ja’ knikken gaat evenmin. De kracht van de masserende handen drukt je hoofd naar beneden in de andere richting van hoe ‘ja’ begint. Ook praten gaat erg moeilijk wanneer je met je hoofd naar achter, met langgerekte keel en met je stembanden op hun maximumlengte, verloren in een poncho gevangen zit als een olifant in een porseleinen wasbak. Gelukkig gaat het ook zonder praten goed, Eda weet perfect wat ze moet doen.

Even later zit ik naast zo’n bleek poppenhoofd en staar ik mezelf aan in de spiegel. Na een praatje met de leerkracht besluit zij: “Ik begrijp het. Je wil drie kapsels in één. Meisjes, kom eens allemaal kijken. We gaan hier drie kapsels in één doen. Dat is pas interessant”. Voor ik goed besef wat er gebeurt, ben ik omringd door tien jonge kapsters in wording, geamuseerd door mijn bezoekje en met allerlei ideeën over een mogelijke nieuwe coupe… “Je moet je haar doen zoals mevrouw De Ville”, zeggen de meisjes. “Haar heb ik graag, bij haar mag ik mij uitleven”, zegt de leerkracht en vervolgt dat we “een halve maan gaan uitvoeren”. Ik moet denken aan de Halvemaanstraat bij mij in de buurt. Rue du Croissant in het Frans. Twee zo’n mooie en zo’n verschillende namen in het Frans en het Nederlands, voor dezelfde straat. Een snoeiende schaar haalt me uit mijn gemijmer over koffiekoeken.

“Amaai, je bent echt mooi. Je moet doen zoals Rihanna. Je zou heel goed staan met kort haar”, zegt één van de meisjes. De docente corrigeert haar. “Kijk. Dat is lief van u, maar je mag dat niet doen. Dat is psychologie. Als een klant binnenkomt met een idee, mag je dat niet minimaliseren of wegnemen. Je kan alleen vertellen wat je doet en waarom en dan moet je zien dat je klant ‘waow’ zegt. Als mensen buitengaan met het gevoel dat ze mooier zijn dan voordien, dan ben ik content se”.
Het meisje rolt met haar ogen, maar slaat de feedback op en steekt een plagerig offensief af als repliek. “Mevrouw, je hebt mooie benen. Je hebt een mooi kleedje aan. Je ruikt lekker”. De leerkracht bloost en lacht “Allemaal complimenten die ik kreeg van klanten. Ik zal dat vanavond een mijne sjoe vertellen”. “Ah bon en wie zegt u dat allemaal, gaat hij denken”, plaagt het meisje nog één keer voor ze weer met ogen vol respect naar haar leerkracht kijkt. “Ik ben Sebnem, de secretaresse van mevrouw”, vertrouwt ze me toe. “Hey meisk. Wat hebt gij vandaag al gedaan he meisk?”, provoceert een andere chick haar. De leerkracht heeft kennelijk verschillende secretaresses. “Hela, niet zo stoer Chaima. Bij Sebnem weet je meteen wat je aan haar hebt vanaf het moment dat ze de klas binnenkomt. En vandaag is dat… niks”, lacht de leerkracht. Alle meisjes proesten het uit en ze geven Sebnem een ‘low five’.

“Heb jij een lief?”. Als een dwaalster schoot miss S. haar volgende vraag op me af. “Je moet eyeliner aandoen. Dan ga je direct een lief hebben”. Ik voel me een honnepon in een beautysalon met een afspraak voor een all-in. Niet verwonderlijk, 5 Haarzorg krijgt vakken als ‘Geschiedenis van mode, haartooi en schoonheidsverzorging’ en ‘Make-up, nagels lakken, brushing en kindergrime’.

Het belsignaal schudt de school door elkaar. De levende vrouw met het piekerige haar vraagt hoeveel ze moet betalen. “Zes euro en dames, jullie moeten nog wat gel in mevrouw haar haar doen. Nu ligt het zo braaf. En zo is mevrouw niet”, besluit de docente. Ik gniffel. “Haar kapsel moet bij haar persoonlijkheid passen. Blijf nieuwsgierig naar iemands persoonlijkheid, blijf verwonderd, dames”, geeft ze hen nog mee voor de meisjes de klas uit rennen. Het onderwijs in Brussel is niet evident. En iedereen heeft er kwetsuren… Maar deze leerkracht houdt vol en is één van de grote schatten die zich met hart en ziel inzet voor haar leerlingen. En wat een magnifieke ervaring is dit bezoek aan Anneessens Funck, denk ik terwijl de klas leegloopt. “Je hebt een leuke stijl en je bent echt mooi”, glimlacht Amina nog naar me terwijl ze door de deur glipt.

Rihanna – met verschillende coupes, dus meermaals – schiet door mijn hoofd. “You’re a shooting star i see” zingt ze zwoel. Ik ben mooi voor maar zes euro. En jullie zijn ook mooi, dwaalsterren. Laat niemand jullie ooit het tegendeel beweren.
Shine bright like a diamond.

f53dc349867f37331d3d1d8557cf0489

♪Shine brigth like a diamond – Rihanna

Mijlpaal

De dag van mijn 18e verjaardag, wist ik niet hoe ik mij moest gedragen.
Wist je dat dat eigenlijk een mijlpaal is? Mijn moeder had me regelmatig verteld dat 18 jaar worden, een mijlpaal is. Ik had nachten wakker gelegen, wachtend op en gissend over die ene doorbraak. In de wetenschap dat ik een mijlpaal meemaakte, was ik die dag erg onrustig. Maar ik merkte ik niets speciaals. Allez, ik kreeg wel een mooie ring van mijn vriendinnen op school. Hij zat opgeborgen in een doosje gevuld met watten en versierd met kaftpapier van rode rozen. In het tweede leerjaar had ik een meisje leren kennen dat exact dezelfde pink had als ik. Aagje. We waren tien jaar en enkele krab- en huilsessies later nog steeds bevriend. En zij was de uitgekozen ring gaan passen om zo dicht mogelijk bij mijn ringmaatje te komen. Geen makkelijke opdracht, mijn vingers hebben het formaat van een smalle vulpen – toeval of niet dat ik graag schrijf? Ik speelde enkele maanden later de ring kwijt tijdens het Graspop Heavy Metal Festival op een modderig veld tijdens een optreden van Slipknot, begot. Zat hij toch wat los of was ik te hevig aan het pogoën? Toch, op de dag van mijn 18e verjaardag merkte ik geen grootse omwenteling, geen transmutatie, zelfs geen zwenking. Ik werd niet plots een vrouw. Evenmin kreeg ik plots grotere borsten – wat ik nochtans bij vele voorafgaande verjaardagen en vallende sterren gewenst had. Ik wist ook met een ring aan niet hoe ik mij moest gedragen en ben na een stuk taart ’s avonds vroeg gaan slapen.

Mijlen heb ik gewandeld sindsdien, maar ik ben geen enkele mijlpaal tegengekomen. En zelf kreeg ik er geen in de grond geklopt. Oké, mijn reis naar Zuid-Afrika was onvergetelijk. Afstuderen was bevrijdend. Mijn eerste job was op zijn minst een speciale ervaring. Het daarbij horende bedevaartsoord bezoeken en er pralines verkopen aan zwermen zusterkes, ook. Even samenwonen, terug thuis belanden, een nieuwe job aangaan, verliefd worden met een coup de foudre, eigenlijk niet zo triviaal allemaal. Maar toch ook geen mijlpalen.

En sinds kort, negen jaar na de grote mijlpaal, bestaat mijn leven alléén nog maar uit mijlpalen. Ik ben een laatbloeier. Maar ik word wel een vrouw. Ik ben alleen gaan wonen in Vorst. ‘Forest’ in het Frans en als je dit luidop zegt, betekent het ‘bos’ in het Nederlands. Ik ging voor de eerste keer naar een lesboparty. En ik heb mijn ogen de kost gegeven, wat een ervaring, oehlala. Ik was fameus content – ik hoor u al denken… waarom? Ik vond mijn toenmalig lief de knapste op de dansvloer.

Ik heb ‘neen’ leren zeggen. Ja, ‘neen’. Ik ben mezelf graag gaan zien. Ik heb een blog gemaakt en ik ben heel blij dat ik dat gedurfd heb. Ik heb gehuild op mijn kussen in bed. En ook verschillende keren tijdens het afwassen… Het overvalt mij soms zo plompverloren. Maar zo op mijn kussen, dat was mij nog nooit overkomen. Ik las acht boeken op twee maand. Zegde mijn job op zonder iets nieuws op het oog te hebben en ik ga springen.

Ik stak eens kaarsjes aan op een avond, zonder reden. Ik heb toen een kleedje aangedaan en zelfs lip gloss. En ik heb lekker gekookt voor mezelf. Op een poëzienamiddag mocht ik een zelfgeschreven tekst voorlezen. Ik heb nog eens een tekst voorgelezen, dit keer voor twee vrienden door twee gsm’s tegelijkertijd.  Ik omhelsde mijn vader tijdens een wandeling met ons twee. Ik ging alleen naar de film, alleen naar concerten, zelfs naar eentje van The National – mijn helden – in mijn eigen hometown én ik nodigde hen uit voor een pint bij mij thuis. Ja, ‘neen’.

Thuis, zo lang thuis zijn dat ik thuis kom. Lezen, hangen en naar het plafond staren. En dan oprecht blij zijn wanneer iemand me opbelt. Zelf initiatief nemen. Niet nadenken over wat ik nog allemaal moet doen en alweer vertrekken zonder het gevoel dat ik nog niet eens ben thuisgekomen. Gewoon doèn. Spontaan een koffie gaan drinken met een vriend. Uiteindelijk iets gaan eten in een plekje dat hij uitkiest. Met maaltijdcheques betalen, iets dat diezelfde vriend het sterkste signaal vindt van het feit dat de maatschappij drastisch verandert, dat ik met maaltijdcheques betaal.

Iemand pijn hebben gedaan en willen dat ik dat teniet kon doen. Splijten als kernenergie. De nieuwe atoomkernen die hierbij ontstaan, zijn samen lichter dan de som van de initiële kernen. Mijn stof en mijn schaduw bijeenvegen. Glimlachen wanneer ik een compliment krijg en dit ook laten binnenkomen. De telefoon opnemen. Ja, echt waar tegenwoordig. In de zee van tijd duiken. Een hele dag in pyjama rondlopen. Thuis weliswaar. Een klerenberg laten groeien in mijn kamer – groeien bergen eigenlijk?

Een vriendin vertellen waar ik mij niet goed bij voel en dit uitpraten. Woorden uitspreken die ik altijd al schuwde. Letterlijk woorden, omwille van hun betekenis die ik niet aankon. Een njet krijgen van een droomjob en een Prezi maken met filmpjes en animatie over waarom ik wél ben wie ze zoeken. Weten dat ik mijn ouders deugd doe. Weten waar ze de beste kebab verkopen in mijne quartier en waar de uitbater het liefst is. Een stamfrituur, stampizzeria en een stamcafé hebben. Een brief schrijven van 14 pagina’s. Zoveel pagina’s telt mijn hart dus. Een vriendin zei me: “Misschien is roken nog gezonder. Of voor je hart, om het binnen de vier hoeken van een ansichtkaart te krijgen”. Verder niets meer kunnen schrijven gedurende een hele maand. Mijn vader die zegt: “Bedankt voor het telefoongesprek, Jill. Je hebt mij dinges doen inzien. Nu ga ik afleggen want ik moet naar het toilet. Echt waar he, ik vind het niet uit”.

Mijn favoriete schrijver toevoegen op Facebook. Hem naar zijn kelder sturen om er een niet meer verkrijgbaar exemplaar van zijn gebundelde columns vanonder het stof te halen en hem vragen het op te sturen naar het ‘bos’ waarin ik woon. Een kleedje aandoen om naar het werk te gaan. Me omdraaien wanneer mannen een grote bek opzetten op straat en vragen wat ze juist gezegd hebben of wat er aan de hand is. Existentieel iemand missen. Plaats maken.
Nog een plaatske vrij hebben in mijn leven. Voor een volgende mijlpaal.

Mijn borsten mogen nog altijd eens gaan groeien, bijvoorbeeld.
En verder… weet ik nog altijd niet hoe ik mij moet gedragen.

567_002

Latté

Een ijzige wind waait door mijn ribben heen. Het is de eerste echte herfstdag en het zou evengoed zo meteen kunnen gaan sneeuwen. Ik overdrijf al eens en ik loop in mijn t-shirt naar het Dudenpark in Vorst. De enkelingen die ik op straat passeer, kijken me verbeten aan vanonder hun watervalcapucon. Het haar op mijn armen staat nu helemaal loodrechtop. Dit is de eerste keer sinds lange tijd dat ik het Park van Vorst compleet leeg aantref. Niemand hoort dus dat ik vloek op de gure regen. Eens goed vloeken kan deugd doen en ik voel mijn lijf simultaan opwarmen. Na de kuitenbijter aan de ingang van het park, damp ik als een versgezette kop koffie.

Magnifiek hoe warm een lichaam kan worden. Ik mijmer weg bij de menselijke gedachte dat we deze lichaamswarmte kunnen delen en verdubbelen met iemand, door zacht en warm tegen elkaar te liggen. Na een herfstwandeling bijvoorbeeld.
Van dit mooi mijmeren ben ik rats trager gaan lopen…

En vertrappel ik bijna een Schnauzer. Moeder en dochter gillen en dragen dezelfde regenfrak. Meneer grolt naar mij. Ik kijk naar beneden om de hond te detecteren. Deze heeft zijn normale vorm behouden en ik merk op dat het hele gezin laarzen draagt. Laarzen… ik krijg ik spontaan een onweerstaanbare hang naar hun laarzen. Het woord op zich, hun camouflagekleur, hun ronde top, hun zachte effen oppervlak en de mogelijkheden die ze inhouden. Door zee dolen, in plassen springen, door de modder lopen of door veld en vlaai, beektochten houden, het wijde bos in trekken. Het kan allemaal, maar met laarzen aan nog meer. Ik wil die mensen hun laarzen, ik wil hun hond, ik wil soep maken,
ik wil thuiskomen – bij iemand –, vertellen over de avonturen met mijn laarzen aan en ik wil mijn tintelende vingers rond een dampende tas koffie leggen.

Het is een nieuw gevoel voor mij, na mijn grote prioritaire behoefte aan een eigen plek, echt bij iemand te willen zijn. Ik ben een trage stier, mijn gevoel neemt tijd om te groeien en soms kom ik te laat. Er waren voortekens voor mijn gevoel, subtiel en aan het groeien: ik neem al maanden overal koffiemelkskes mee. Uit de Panos, uit de Coffee world, in alle cafés waar ik beland en waar mensen koffie bestellen, gritste ik reeds mening melkske van de tafel. Gratis, maar vooral voor niets.

Want zij dronk haar koffie altijd latté, maar maakt nu alleen haar eigen herfstwandelingen.
Ik ook. En ik drink mijn koffie altijd zwart.

En ik bedoel niet dat ge uw koffie op dezelfde manier moet drinken als uw lief.
Ik bedoel al de rest.
Het is al genoeg, al zoveel, als ge op zondag samen een herfstwandeling
kunt gaan maken, daarna uw laarzen uittrekt en wat lichaamswarmte deelt.

Flatlands – Chelsea Wolfe

Ge kunt dat, en toch

Hoe telefoneert ge met uw lief
Als ge haar eigenlijk wilt kussen.

Hoe vertelt ge dat ge het sexy vindt wanneer ze nadenkt
over wat ze wil gaan zeggen.
En evenzeer wanneer ze uiteindelijk wijselijk besluit te zwijgen.
Hoe vertelt ge haar dat ge haar erg interessant vindt.
“Moest ik u nog niet kennen en u tegenkomen op café met uw Trippel
en met uw cafépraat…
Ik zou mijn ogen niet van u kunnen afhouden. Omdat ik u interessant vind, ja.
En razend knap”.
Zo?

Hoe laat ge haar voorzichtig weten dat ge haar mist,
maar dat alles ook wel goed met u gaat?
Dat de wereld dus niet vergaat. Dat ge een hele dag nog niet hebt gepraat. Maar dat er altijd dingen zijn waarvan uw hart overslaat.

Hoe vertelt ge dat ge zonder haar zou kunnen leven. Perfect.
Maar enkel met haar levensecht.

Moogt ge dat vertellen, dat ge haar nodig hebt?
Want ge zou haar niet roepen als ge op’t toilet zit en de bel net zou gaan… ge zou efkes vloeken, wat harder drukken, u spoeien en zelf gaan opendoen, natuurlijk.
Ge zijt een plantrekker.
Maar toch hebt ge haar nodig.
Ge kunt u zelf wel wassen in den douche – en stiekem wilt ge al het lekker warme water helemaal voor uzelf – maar toch glimlacht ge als zij met haar schoon handen over uw lijf wrijft.
Ge kunt zelf koffie zetten. U voor het kleinste en voor het grootste sterk maken.
Ge kunt dat echt.
En toch aan haar uw hart willen luchten.

Ge kunt kerstavond perfect apart vieren,
met de mensen die ge al jaren rond u wilt hebben
en met de nieuwe mensen in hun leven, erbij.
Met kaarsen schoon op de tafel geschikt.
Met alles exact op zijn plaats.
En toch nog een seconde twijfelen om de allerlaatste trein te nemen, naar haar.

Vertelt ge zo’n dingen dan aan iemand? Als ge een plantrekker zijt?

311891_10151035563872102_1875320143_n.jpg