Driekwart saucisse

Instinct kan je niet fnuiken. Ik wacht niet meer tot het groen wordt om over te steken. Ik ben niet volgzaam. Ik beweeg me op het randje van arrogant en assertief. Ik wacht niet tot ik kan betalen in tavernes, ik zég dat ik ga betalen. Ik heb bepaalde responsen op stimuli ontwikkeld en ze zijn inmiddels mijn vastgelegd gedragspatroon. Al van jongs af aan dwaal ik door deze stad, wil ik haar begrijpen en ga ik mijn eigen gang door de eigenzinnige straten. Brussel heeft mij reflexen gegeven, Brussel heeft mij ‘gemaakt’. Mijn instinct doet me ronddolen en observeren – staren zelfs –. Het breekt schaamteloos los te midden van de vrijheid in de chaos van Brussel. En die chaos zit vol rake no-nonsense. Ik bedenk dat we bij gesprekken tegen elkaar kunnen wrijven met onze kern. Mijn primitieve, dierlijke vorm van intuïtie resulteert in gluren, mijn mond voorbij vragen en ten slotte mijn buit neerpennen.

Overal in Brussel liggen schatten voor het rapen. Ook in de stations. Hoe weerzien en afscheid er kunnen uitzien… Hoe de zucht van de laatste trein naar huis klinkt, of die van de trein naar zonde. Te midden het niemandsland en de duizenden schimmen van andere levens, ligt voor iemand een zekerheid, een eigen plek op een vaste route naar huis. De man met zijn jasje van ‘de post’ wacht steeds aan dezelfde paal op perron vier in het Centraal station om 22.39u. Aan de paal links van het winkeltje met hotdogs onderaan de grote trap, scheiden elke dag om 8.47u de wegen van twee anonieme geliefden. Hij vertrekt er steeds via de grote trap om langs de hoofdingang en langs de levendige Grasmarkt de stad in te trekken op weg naar zijn werk. Zij duikt ondergronds met de metro. Pas aan die paal laten ze elkaars handen los. Enkele seconden later kijkt zij nog even om – en hij weet dat.

‘Alors on danse’, schreeuwt de metromuil van Hallepoort. Niet Stromae maar een jonge man met één kruk en een gebroken poot strompelt de trap af en ik struikel bijna over zijn heerlijke zelfspot en positivisme.

Natuurlijk is Brussel niet altijd een verzameling van vertederende kleine verhalen. De stad heeft ook een onafwendbare lelijkheid. Mensen van buiten Brussel noemen haar wel eens een groot onpersoonlijk vuil gedrocht. En het zou er ‘gevaarlijk zijn, met al die verschillende culturen bij elkaar. Al die buitenlanders. Al die werklozen, daklozen en troostelozen. Met al die straatintimidatie en al die sociale tijdbommen’. Het onderwijs is er niet evident. De werking van de verschillende gemeentes ook niet. Stad Brussel evenmin. Niets werkt er. Alles staat er in de file. Aanslepende politieke dossiers en bouwvergunningen incluis. De trottoirs liggen vol losgeslagen zwerfvuil wist iemand me onlangs te vertellen toen hij hoorde dat ik in Brussel woon. Hij vroeg zich eveneens af of ik een hondenleven leid in één van de opeengepakte koterijen of in een bouwvallige huis. Allez! Brussel is evenzeer verval als bloei. Oké, je kan er verdriet lezen in de straten. Pleinen liggen er triest bij of worden plat gereden door pendelverkeer. Maar we picknicken er tegenwoordig. En zeker, straten langs het kanaal verdienen bomen en bloemekes, maar actieve burgers steken zelf de handen uit de mouwen van hun werkkledij tegenwoordig. De steegjes in braakliggend Brussel kronkelen zich krom en oud. Onlogisch, onzijdig en om bij te huilen. Onverwachts. Eigenzinnig.
En om van te houden.

Het is een slordige metropool met een groter dan gemiddeld percentage nachtbrakers en slapeloze stedelingen. Maar tolerant. Een anonieme stad vol typetjes en karakterkoppen, vol lichamen die hun plek zoeken. Brussel heeft charme, is een vuile underdog en wordt onderschat. En ja, ik krijg er soms eelt van in mijn hoofd. Ik maak me geen illusies over haar lieflijkheid. Maar het zit in mijn instinct om de schoonheid van onze verfrommelde stad met neergepende gewaarwordingen van al mijn zintuigen te verdedigen.

Brussel is een stad met een smoel. Vol rauws. “Iedereen is geserveerd, dan ga ik een sigaret roken”, roept de uitbaatster van een brasserie. “Dan mogen we vanaf nu self-service doen”, grapt één van de cafégangers behoorlijk beschonken. Hij draait de tapkraan 180 graden om tot over de toog en houdt er zijn mond onder. Een andere klant neemt van op de floeren zitbank aan de overkant van de toog zijn fototoestel in zijn knokkelige handen. ‘”Neen, neem geen foto van mij. Want ik weet al wat je daarmee gaat doen. Je gaat die inkaderen en vogelpik spelen met mijn hoofd”, roept de man vanuit zijn filmische houding. De vrouw aan zijn zij met voor haar een 33cl. pils, probeert zich in het gebeuren te mengen, maar niemand reageert. Ze kijkt haar man even aan, op zoek naar enige blijk van aandacht, maar kijkt al even snel gegeneerd weg. Iedereen heeft het recht om gehoord te worden, denk ik. Ik staar naar het roze plafond en laat het geluid van de flipperkast achteraan in het café over me heen razen, vermengd met het gejoel van de voetbalmatch van RSCA op de flatscreen die aan het plafond bengelt en het amalgaam van Frans en Nederlands in de cafépraat van de mannen met te rode koppen aan de toog. De uitbaatster trekt nog een laatste keer van haar sigaret en wandelt haar volwassen speeltuin terug binnen.

“Neen je mag niet tot bij mij komen, je mag niet springen”, zegt iemand zacht. Op haar bord ligt een boerenworst met wortelstoemp. Toch springt de bastaard tot net boven de houten tafel in de bruine brasserie. Duizenden geuren dringen zijn opengesperde neusgaten binnen. Hij hoort slechts geluiden, de toon en de kleur van haar stem. Ze praat zo zacht, dat hij haar lief vindt. Ze praat zo zacht, moe van te willen slapen en van het leven voorbij te laten tikken. De manier waarop ze aan haar man die voor zich uit staart, vraagt of hij tevreden is met het warme middagmaal dat hij uitgekozen heeft, verraadt haar goede hart. Het lijkt of ze zich bij haar leven heeft neergelegd. Ik wilde haar naar een ander leven flitsen, naar een andere Brusselse kroeg aan een ander tafeltje naast een andere kompaan. Ik nip van mijn koffie en zie nog net hoe de hond er zo laag mogelijk tegen de grond en met zijn staart tussen zijn poten vandoor snelt met driekwart saucisse in zijn muil. Instinct kan je niet fnuiken.

Op een middag in kaaswinkel Catherine, Zuidstraat 23,bestelt een meneer een ‘mi kilo de fromage’. De vrouw achter de comptoir verstond duidelijk iets anders: “Huit kilo de fromage?”, roept ze verbaasd uit. “Non non, seulement un d’mi kilo!”, roept de man terug en iedereen in de wachtrij – die er telkens is – schiet in de lach.

Iedereen is slechts een aanzet. Ik geloof in de maakbaarheid van bijna alles: ik ga koppig prat op de mogelijkheid uit het risico halen. Op dat vlak is Brussel een dagelijkse schat. Niets moet voor altijd zijn. Ook al verhuis ik ooit nog naar een andere plek, het gaat om de dingen die we hier zien gebeuren elke dag. Om het feit dat ze gebeuren. Die rake no-nonsense. En het gaat er om, door de eigenzinnige straten van deze stad met een smoel, onze eigen gang te vinden. Instinct kan je niet fnuiken.

2686_1444129072480_dFvUO33ATZ_logo.jpeg

Advertenties

Dit is waarom

Hoe kan iemand in enkele minuten zoveel indruk op je maken dat je die persoon nooit meer wil vergeten?

Hoe kan je die persoon dan ooit nog terug zien. Blijft een boek niet beter dan de verfilming ervan? Een vervolgverhaal krijgt ook zelden zelf nog een vervolgverhaal. Titanic twee is reeds een gezonken schip. Zeg me ook niet wanneer we elkaar zullen terugzien als we de telefoon inleggen. Laat het maar stil zijn na ‘ik mis je’.
Maar ik heb geen schrik dat zij een illusie is. En dan nog, heb ik geen schrik.
Ik wil wandelen op die bevrozen zee uit haar brief en ik boek mijn ticket naar Estland.

Zuid-Afrika, een jaar voordien. “Speel eens een liedje”, vraagt ze me grijnzend. Ik zet mijn vingers klaar op de kleine blikken piano, een verjaardagscadeau voor een vriendin die ik terug aan het spelen wil krijgen. Ik grijns terug en speelde ‘teteteteeem, teteteteeem’, Beethoven, zijn vijfde symfonie. Haar lach verraadt dat ik de uitdaging win. Ik moest wel, ik wilde haar nog leren kennen voor ze terug naar Estland vertrok. De avond voordien toen ze zelfzeker op me afkwam, we vervolgens de Fransen versloegen met een spelletje biljart en teveel cider dronken, was haar laatste avond in Kaapstad. En ik had de hele klim naar Cape Point, het meest Zuidelijke punt van Zuid-Afrika en meteen ook van de hele wereld, moeten horen van mijn vriendinnen dat niemand zomaar ‘Tot in mijn dromen’ zegt voor het slapengaan. Ze hebben wel een ‘point’. Hoe kan je dat cliché zo onschuldig gebruiken zonder de betekenis die schrijvers en charmeurs er aan gaven? Komaan. Toch ontken ik wat mijn vriendinnen zeiden, wijt mijn blos aan de zon en vertel hen al zeker niet dat ik de hele nacht elke beweging en elk woord dat ze gemaakt had, terug had liggen spoelen.

Het uitzicht is prachtig. Niets dan zee. Hier kan je verdwijnen. Zwemmen, kopje onder gaan en aan het andere eind van de wereld uitkomen. Hier stopt de wereldkaart. Hoe kan iemand in enkele minuten zoveel indruk op je maken? Hier gooi ik het allemaal overboord.
Toch vraag ik haar nummer voor ze de taxi instapt en mogelijk uit mijn leven verdwijnt.

Ik kijk naar alle trams die voorbij rijden om te zien of zij er niet zit. Tallinn is klein, dus ik kom haar nog wel tegen. ’s Avonds in hun woonkamer vraagt ze me om mijn hand uit te strekken. Ze neemt het vast en zegt tegen de liefde van haar leven dat het bijzonder is iemand te ontmoeten wiens handen zo goed in de hare passen. Hij lacht naar mij, knipoogt naar haar en ik voel zo hard dat ik leef.

“Kan het zijn dat die vriendschappen voor jou hechter of intenser zijn dan je vriendschappen hier?” vroeg een doorreisde docente me ooit tijdens een cursus ‘Reisverhalen schrijven’. Pal erop, ze sloeg de nagel op de kop. Ik moet kunnen vertrekken. Niet altijd bereikbaar zijn. Niet weten hoe laat het is en meegaan met de zon. Ik wil loslaten en verlangen. Ik wil mogen terugkomen. Weten dat we elkaar terug zullen zien, maar nog niet wanneer. Ik wil mensen om me heen waar ik brieven naar wil schrijven.

Reisverhalen, ik heb er drie. Met Laura wandelde ik hand in hand over een bevrozen zee. Van Azra kreeg ik sokken en een prachtige vriendschap. Op het dak van parking 58 in Brussel keken Silvia en ik naar de knipperende kamerlichten van de appartementsblokken in de verte. Daar gaat iemand weg. Daar komt iemand thuis. Daar wordt een licht zacht gedimd en smelten silhouetten samen…
Dit zijn zo’n momenten waarrond een hele film zou kunnen draaien. Het is die ene zin die blijft hangen. Één zin die me kraakt, die tot bij mijn hart geraakt. Dit is waarom ik op reis ga. Dit is het antwoord op alle waaromvragen. Liefde, want daar draait het allemaal om.

I see a darkness – Bonnie Prince Billy

577343_10150742565052102_1399163382_n.jpg