Wanneer de tijd klaar is

Wanneer de tijd klaar is.
Dat is het enige dat we weten.

Er zal in tussentijd heel wat gebeuren. Mensen zullen werken, eten, slapen. Metro, boulot, dodo. Maandag werken, eten, slapen. Werken eten slapen (…) Vrijdag werken, eten, slapen. Weekend (zucht). Daartussen, tussen dat ritme, vindt het leven plaatsen en plekken om ons te overkomen. Sommigen zullen zich over dat leven verbazen. Anderen zullen verbazen. Ieder op zijn beurt.

Er zullen mensen op reis vertrekken. Op weg naar of weg van geliefden. Of beide of ergens tussenin. Ik zal een voorbeeld geven:

er viel eens iemand uit de lucht
recht in iemand anders’ armen
en ze zeiden niets

het was een omarming die bleef duren
want hoe weet je
wanneer het tijd is om iemand los te laten

alles duurt altijd langer
ik zie je graag
is maar één zin

en ik zie je graag duurt altijd, altijd langer

Er zullen dus mensen op reis vertrekken. Op een van die reizen zoekt iemand naar haar adem. Ze mag weten dat zij meer dan genoeg is wanneer zij heel gewoon zichzelf is. Ik zal het zo zeggen: als 100% het ideaal is, willen we minstens 80 bereiken, terwijl 60 eigenlijk al voldoende is en wij zelf sowieso volmaakt zijn. Ze mag nu voor zichzelf ademen in plaats van voor twee. Drie. Vier.

Ergens zal iemand naar woorden zoeken of een boek lezen, waarin ze dan die woorden vindt. In een stad worden twee vrouwen mama van hun kindje. Ze worden het steeds meer. Kilometers velden verder werpen bomen wulps hun vruchten in manden en monden. Ergens … hoor je enkel de wind. Lakens waaien. Moeders turen tevreden de tuin in. Moeders sturen de vrede de tuin in … Iemand borstelt haar paard en fluistert langs de wilde manen: “jij bent vrij”. Er worden tafels gedekt. Bloemen geplukt. Vazen gevuld. Er zal door ramen gekeken worden en heel soms door een ziel. Er zullen mensen verdriet hebben, steun of rimpels krijgen.

Anderen kennen geluk, of leren het opnieuw kennen. Ergens maakt iemand een nieuwe start. Ze is nog nooit zo naakt de zee in gewandeld. In het water zwemt ze haar uittredende oevers terug bijeen.

Iedereen zal tijd krijgen en iedereen leert elke dag bij. Niemand kent de weg. Verloren is slechts een synoniem voor ‘op zoek’. Niemand kan exact vertellen of voorspellen wanneer de tijd klaar is. Het is iets dat geleidelijk aan gebeurt en zich toch plots voltrekt. Zoals uw frank die valt. Iemand tegen het lijf lopen. Je loopt namelijk reeds een tijdje voor het letterlijk gebeurt. Het is al een poosje aan de gang voor de opgeschrikte “Oh, pardon” volgt, de “Miljaar, kijk toch uit” of de “Oh, hey …”

“… hey daar”. Iemand ontmoeten. Je weet dat dit kan gebeuren. Het is bijna vanzelfsprekend. Het is zelfs al een poosje aan de gang. Je loopt namelijk reeds een tijdje voor het letterlijk gebeurt. Je loopt rond tussen werken, eten, slapen. En als het dan toch plots gebeurt, “Hey daar” … is het helemaal niet vanzelfsprekend. Integendeel.

Nochtans is het simpel. De tijd stuwt alles in de richting van eenvoud. Het is zoals een zelfgebakken taart. Of zoals een zelfgebakken brood, dat recept ken ik beter – twee kilo bloem, één liter water, wat boter en gist en een snuifje zout – een brood dat na het rusten klaar is om de honger van twee mensen te stillen. Zo ook stilt liefde de honger van twee mensen. Na het rusten. Na het breken. Helen. Groeien. Na het dieper doorbloeden van ons wijze hart. Wanneer de tijd klaar is.

tumblr_o6t9tzQcUy1uzh288o1_500.png

*Met deze tekst won ik de voorronde van Naft voor Woord 2016 in Mechelen 1/04/2016

♪The best thing – Doveman

Advertenties

Gedragen

Dag Alfred
ergens in de stad
is er iemand die op jou heeft gewacht

zij slijpt hout
tot de beste versie van zichzelf
scherpzinnig grafiet prikt papier
open zal zij ook jou schaven liefdevol
rondom je goede hart

zij slijpt jouw naam
zodat hij al gaat leven nog voor jij lacht en huilt
zodat hij jou kan dragen

terwijl zij wacht is zij het die koffie drinkt
met de donkere vlekken schetsen maakt
haar huis vouwt
nu weet dat ze terug kan gaan
zodat zij jou kan dragen

nu kattenzacht
en sluipend schetst onder haar gedichten:
Mama Annelies

**
Geschreven voor Annelies De Ville  ∞ Alfred ∞ Benedicte Serroen.
In verbinding met Annelies*’ geboortekaartjegedicht:
* www.anneliesdeville.blogspot.com

20151117_200623

*Gelegenheidspoëzie! Dit gedicht werd geschreven voor Annelies en Benedicte die onlangs voor het eerst mama werden. Dichter Ward Mertens en ik brachten ons cadeautje samen op een gezellige regenachtige avond voor. Hij schreef ‘De Ooievaar (met een bloemkool in zijn keel)’ www.wardmertensschrijft.blogspot.be

20151117_200651

*scherpzinnig grafiet, geslepen door Annelies De Ville

Water na de wijn

we worden wakker
in een krater
heeft iemand mij geroepen?

waarom roepen we zelfs naar honden
ik wil zonder
koord rond mijn hals naar je toe komen.

we liggen op elkaars hart we liggen op elkaar
op elkaars maag
tot we terug op onze benen staan

we proberen elkaar te lezen
we zijn ergens gestopt met een fout te maken
het is achter de rug wanneer we ons omdraaien

we zijn jong zonder het te weten
de toekomstmuziek vergeten
we vallen als we te lang op één been diepvriesmaaltijden eten

’s nachts waden we bloot door onze huizen
op zoek naar water na de wijn
we zijn geen indianen meer

Meteorcrater.jpg

*Dit gedicht veroverde een plekje in ‘Het Gezeefde Gedicht’ van Charles Ducal en Roel Richelieu Van Londersele:

♪We’re young – James Arthur

 

“Wil je me één ding beloven?”

“Mijn hart heeft haar eigen weg.”
“Dat is waar, he?”
-”Ja.”

“Wat ben je aan het denken?”
-“Dat ik niet mag huilen.”

-”Sterk zijn is de rol die mij is toegeschreven zonder dat hij me past.”
“Als je sterk moet zijn, dan word je het.”

-“Ik kan niet stilstaan. Ik wil dat ook niet.”
“Als je niet wil stilstaan, dan wil je teveel.”

-”Je was toen heel goed voor mij.”
“Jij ook voor mij.”

“Gaan we tellen hoe vaak we eraan denken?”
-‘Dat is ontelbaar.”
“Ja. Je hebt gelijk.”

“Wat doe je. Doe je geen pijn.”
-“Ik maak mij los van de dingen.”
“Wil je mij vastnemen.”

-“Je weet dat ik niet kan wachten. Tot één van de twee mogelijkheden verlopen is.”
“Ja. Ik weet dat ik op een bepaald moment verloren zal hebben.”

-“Ik moet je tijd geven.”
‘Ik ook… Jou tijd geven.”

“Sorry.”
-“Waarvoor?”
“Neem het nu maar aan.”

-“Het is oke, ik ben ook in de war.”
“Maar ik denk dat jij ànders in de war bent.”

“Van waar komt het?”
-“Maar dat weet ik toch niet?”
“Van waar komt een gedachte?”
“Van buiten je hoofd. Of van binnenin? Van wat altijd stil is, opmerkzaam blijft en graag ziet?”
-“Begin niet met zo’n vragen. Want ik weet niet vanwaar het antwoord zal komen.”

“Alles kan.”
-“Nee. Niet alles kan.”

“Seg en euhm. Waar slapen engeltjes dan?”
-“In een bed.”
“En doen ze dan hun vleugels uit?”
-”Ja. Niemand kan altijd vliegen. Zelfs de wind gaat soms liggen.”

“Je lacht niet mee.”
“Doet het pijn te lachen?”
-”Als ik het voor jou doe?”
“Bedoel je dan dat je me geeft wat je niet kan geven?”
-”Ja.”

“Ineens ben je gestopt met zoeken.”
-“Ja. Omdat ik iets gevonden had.”

“Ik weet iets wat jij niet kan dat ik ook niet kan.”
-Is het geloven?”
“Ja, dit geloven.”

“Is het de realiteit die soms als een droom kan aanvoelen…?”
-“Ik weet niet of je iets dat enkel bestaat uit dromen en gedachten kan aanvoelen eigenlijk.”

-“Je denkt veel na, he.”
“Teveel?”
-“’Het is nooit teveel…”, zei ze op een van de vele manieren waarop ze omarmt.

“Ik kan dit nooit neerschrijven, dit alles.”
-“Dat hoeft ook niet.”

“Maakt het uit.
Dat er al zoveel boeken zijn? Met diepste, met woorden uit onze diepte.
Woorden waar diegene die ze bedoelde zoveel in stopte,
zelfs bijna het gevoel erbij.”
-”Nee. Het maakt niet uit. Als je dat doet. Als je dat maar doet.”

“Je wil iemand een vraag stellen,
maar je doet het op dat moment nog niet.
Je denkt dat het zo beter is.”
-“Dacht je daar nu aan?”
“Ja.”
-“Wilde je me een vraag stellen?”
“Ja. Nog niet.”

“Wil je me één ding beloven?”
-“Ja.”
“Dat je weer durft dromen.”

13882270_1084976741581734_357929176768059332_n

Twee handen

Kunnen jullie het?
Opstaan om kwart voor zeven?

Deze vraagstelling is het gevolg van mijzelf zowel een avond- als een ochtendmens te wanen. Ik ben laat opgebleven. Ik ben vroeg moeten opstaan. Zodra duik ik vrijwillig de Brusselse ochtendrush in en zal ik doen alsof ik ook ergens haastig naartoe ga.

Kwart voor zeven. De enige reden waarom ik denk dat ik geen ochtendhumeur heb, is omdat er niemand is om het op uit te werken.

Ik zet koffie. Dat helpt. Het goedje droogt slechte buien uit.
Koffie, vanaf welke leeftijd mag je dat eigenlijk drinken? En hoeveel mensen die zich in de ochtendrush hebben gestort, moeten eigenlijk nog ontbijten? Traag trek ik een mueslikom en een lepel uit de berg afwas. Het heeft iets weg van een spelletje Mikado.

Twee kopjes lang kijk ik uit het keukenraam. Van zeven meter hoog zie ik hoe een donkerblauwe gezinswagen een manoeuvre inzet. In verschillende pogingen probeert hij van tussen de borduur en een tegen zijn gat plakkend kevertje weg te geraken. Millimeterwerk. Zacht tegen een andere auto aan parkeren noemen we in Brussel ‘een kuske geven’. Vanop het trottoir wuift een papa zijn zoontje op de achterbank uit. Hij vormt een hartje met zijn twee handen. Wanneer de auto eindelijk vertrekt, loopt de papa hem nog enkele passen achterna. Ik bedenk dat we te veel vergeten. De speelsheid van onze ouders – en zij die van hen  –, het eenvoudig kinderlijk gelukkig zijn. Hoe graag we elkaar al gezien hebben.

Zal hij het later nog weten dat zijn papa ’s ochtends kon vergeten dat de rest van de wereld bestond? Dat hij dan een prinsje was, op de achterbank van een koets zonder paarden. En dat zijn vader hartjes maakte met zijn twee handen.
Ik hoop het, terwijl ik mijn lege kopje koffie op de berg afwas plaats. Tussen al mijn vertedering zoek ik mijn ochtendmens en een passende jas.

Moet ik trouwens ook eens proberen met mijn twee smalle handen, die hartjes. In de volle ochtendrush van de stad . Beeld je eens in … Ja.

Ik vertrek.

bd9818b988d81811bde8ca4eb9db0c8f

Dürüm

Ik heb iets met mannen. Ik wil mijn leven delen met een vrouw. Maar ik heb iets met mannen. Met Soran dacht ik dat het een toevalstreffer was. Na de banaan bij de snack om de hoek en na de ontmoeting met Süleyman, weet ik het zeker. Ik heb iets met mannen.

Met mannen die een dürümzaak uitbaten, wel te verstaan.
En neen, ain’t no maneater… Ik ga er wel degelijk voor het vlees. Dat klinkt nog steeds dubbelzinnig. Het zit zo. De dürümzaken waar ik naar blijf terugkeren, zijn die waar ik de volgende combinatie terugvind: vlees van goede kwaliteit met een lichte bruin gebakken korst dat aan een braadspies ronddraait langs een warmhoudrek achter de toonbank én een uitbater die zoekt naar het menselijk contact bij de klanten. Hij zoekt het achter hun formaliteit, achter hun hongerige ogen, achter ‘een dürüm met goed veel andalouse alstublieft’.

Zoals Soran. Een 58-jarige man van Koerdische afkomst. Een held, een filantroop, een intellectueel die blinkt – en mij ontroert – als hij over boeken praat. Hij studeerde filosofie in Turkije, journalistiek in Duitsland, Germaanse filologie in Griekenland. Hij las Jane Austen, uren en avonden lang. Of werken van de familie Brontë, “al die mooie romantiek”, noemt hij het. Hij las Virginia Woolf en Hugo Claus door elkaar. “Maar met dat lezen sta je nergens. En ‘s morgens moet je vroeg opstaan om te gaan werken”, wimpelt hij wel vaker zijn kwetsbare kant weg. Voor de meeste mensen is hij echter een buitenlander, een kleine zelfstandige met een andere kleur die kebab verkoopt. Ik krijg het altijd warm vanbinnen wanneer ik opmerk dat iemand het doorheeft. Dat hij een belezen man is, een professor eigenlijk. Wanneer hij iemands mond doet openvallen van verbazing met zijn wijsheid en zijn zachtheid. Dan krijg ik zin om er van achter de comptoir een blokje fetakaas in te werpen, om ‘score’ te roepen en om Soran een high-five te geven. Maar ik heb geleerd om niet altijd te uiten wat ik denk (schrijven mag gelukkig wel).

“Negen jaar heb ik deze winkel gehad en ik zou nooit zoveel van mensen geleerd hebben zonder deze zaak…”, mijmert hij. Ik gooi een blokje fetakaas in mijn eigen open mond. Ik heb tijdens het werken met hem zelf enorm veel geleerd van deze lieve man, inmiddels één van mijn beste vrienden. Soms vraag ik mij af wat hij in mij heeft gezien. Op mijn eerste werkdag vergat ik voor een meisje die filosofie studeerde, de hamburger tussen haar bickyburger met curryketchup te plaatsen. Toch hield hij mij in dienst.

De snack een paar straten verder van mijn appartementje in Vorst komt in de buurt van de voor mij vereiste combinatie. Het vlees draait er dan wel niet rond, maar een van de medewerkers zoekt wel degelijk naar menselijk contact bij de klanten. Zo vond ik laatst naast de hamburger ook zijn telefoonnummer tussen mijn bicky met curryketchup. En je – iedereen, dat staat los van de versiertruc – krijgt er steevast een banaan of een flanneke mee voor niets.

En dan is er de snack op de Wielemans Ceuppenslaan die ik ‘Süleyman’ noem. Naar de uitbater. Wanneer ik de zaak voor de eerste keer binnenstap, zie ik de uitbater in gesprek met drie kleine Turkse meisjes. Hij speelt de grote vriendelijke beer, hijst zich halvelings over de toonbank heen en geeft hen een lolly. Ik glimlach om het tafereel. Hij betrapt mij hierop en bloost, net voor de meisjes de lolly’s gretig uit zijn hand grijpen. Hij draait zich om, schept wat pitavlees op de bakplaat en ik speur evenzeer met een blos op mijn wangen de menukaart verder af, al bestel ik al jaar en dag steeds hetzelfde.

Hij stopt mijn dürüm ‘met goed veel andalouse alstublieft’ in een zakje. Ik houd twee stukken van twee euro op elkaar gedrukt klaar in mijn hand. Wanneer ik betrapt ben geweest, houd ik mij altijd een moment lang voortreffelijk aan de gedragscode. “Wie goed kijkt, denkt goed, leeft goed en leeft op, op elk mogelijk moment”, zegt hij plots. “Jij hebt rode kaken, een menselijk hart. Dat kan je niet kopen. Het zit in jouw ‘spirit’, het is jouw instinct. Een andere vrouw kan een man klop geven op straat en niet rood worden. Jij zou rood worden, je verlegen voelen. Zoals toen je zag dat ik die meisjes een lolly gaf”. “Score”, denk ik. High-five. Fetakaas. Ik reken giechelend af en verlaat perplex de zaak. “En wat is me dat giechelen nou ook weer”, lach ik met mezelf.

De tweede keer dat ik de zaak binnenwandel, vraag ik hem hoe hij daar zo zeker van kon zijn dat ik niemand een klop zou geven op straat met mijn sacoche. “Ook hallo”, lacht hij en begint mijn dürüm klaar te maken. Hij vertelt me dat er soorten mensen zijn. “Een bij wordt als bij geboren en weet instinctief dat ze honing uit bloemen zal halen, dat ze een nest zal bouwen en dat ze een koningin, een werkster of een dar is. Een olifant weet dat hij met zijn slurf eten zal moeten zoeken. Een mens weet niet wat of wie of bij wie hij moet zijn. Er zijn mensen die kiezen om bij iemand te zijn omdat ze die persoon mooi vinden qua uiterlijk. Maar wat volgt er na de seks? Dan hebben ze elkaar niets te zeggen… Er zijn mensen die bij iemand blijven omdat die een dikke portefeuille heeft. Maar die mensen, die zijn niet vrij… En er zijn mensen die bij iemand willen zijn omdat ze uren en uren kunnen praten. Omdat ze elkaar inspireren. Omdat ze elkaar aan het lachen brengen. Omdat ze elkaars gedachten willen kussen”.

Ik denk aan de vrouw die ik ‘lief’ mocht noemen. Ik vond haar mooi, ja. Maar wij hadden elkaar wél altijd iets te zeggen. Een dikke portefeuille had geen van ons beiden. Wij waren vrij. Maar wij waren soms te vrij om tot bij elkaars gedachten te geraken, om ze te kussen.
Ik zeg hem dat ik zijn exposé apprecieer. En dat ik de volgende keer opnieuw met een vraag zal komen die hij dan mag bespreken. Hij glundert. “Het zou vreemd zijn als jij hier zou binnenkomen zonder vraag, zonder enige vraag. Want jij bent iemand die geïnspireerd raakt”. Ik sta paf.

De volgende keer kom ik in mezelf gekeerd, hongerig en zeiknat de zaak binnen. Thuis ben ik aan een boek gekluisterd en eigenlijk wil ik het liefst van al met niemand praten en alleen op de wereld verder lezen. ’Lees dit boek en je zal de liefde begrijpen’, staat er op de achterkant van de boekomslag. Het trekt de plakband van mijn lippen, scheurt mijn mond terug open, sleurt de pijn uit mijn keel en zet mij er toe aan een brief van 14 pagina’s te schrijven naar die vrouw, naar ‘lief’, die ik al maanden niet meer spreek. Ik wil met mijn gedachten tot bij haar geraken.

Toegeplooid op de vervulling van mijn basisbehoefte naar warmte, eten en wat liefde, geef ik Süleyman kort aan dat ik dit keer geen vraag heb. Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin en kijkt me een ogenblik doordringend aan. Hij ontmaskert mij. “Je loopt wel rond met een vraag, maar je wil ze mij niet vertellen”. Hij pakt mijn fijne hand in zijn reuzenhand en legt de rug van mijn hand naar boven gekeerd. Hij plaatst er zijn gsm op. Die wankelt en valt bijna. Hij kijkt of ik het goed gezien heb en keert dan mijn hand om, met de handpalm open en klaar om te ontvangen. “Kijk, in zo’n periode zit jij nu, net, na het wankelen en het vallen. Je hart en je hoofd staan terug in verbinding. En met mensen anders dan deze in verbinding, moet jij niet te veel omgaan. Ze gaan jou niets bijbrengen. Laat alles op je afkomen en als er een kans komt, maak dan plaats in je leven. Als iemand jou liefde geeft in een golf, dan ben jij iemand die jouw liefde teruggeeft in een golf. En dan heeft die ander meer liefde dan ervoor. In het begin kwam jij hier louter om te eten. En nu geef je me al een hand als begroeting en een klopje op mijn schouder als ik je doe lachen. Ik heb jou vriendelijkheid gegeven. En jij hebt mij die meteen teruggegeven”. Stil geef ik hem een klopje op zijn schouder, schud zijn hand en verlaat weerom perplex de dürümzaak. (mensen vertellen mij soms zaken, waarover ik gewoonweg moét schrijven).

Onderschat dus niemand die dürüm verkoopt. Houd je handpalmen open. En kijk altijd eerst eens tussen je bickyburger, vooraleer je misschien wel een telefoonnummer mee verslindt.

d3758079fd94eb2745485923e8ea9969

Hart.Steen.Papier.

Ik moet leren van mijn hart een steen te maken. Dus haal ik het uit mijn borstkas. Pak het in met bakpapier. Kleur het papier grijs met een zachte stiftpunt. Ik strek mijn arm uit, zo hoog als ik kan. En ik werp de steen loeihard op de grond. Ik hoor een zachte plof. Nog niet hard genoeg. Er ontstaat een rode plas rond het grijze pakje.

Ik leg mijn druipende hart in een rivier om het bloed weg te spoelen. Ik raap het terug op om een steen verlegd te hebben. En dan moet het wel een steen worden, want ik heb in die rivier een steen verlegd en geen hart.

Ik kan het op de valreep nog aan Music for Life geven om mijn steentje bij te dragen. Neen, want dan heb ik er wel een steen van gemaakt, maar dan is het ook weg. En ik weet niet naar welk goed doel. En dat is allemaal niet de bedoeling.

Dan maar naar de zee vandaag, naar de storm gaan kijken. Thuis zijn voor het avondeten is de enige gevierde vereiste. Ze lijkt een ver verleden, één waarin ik nog thuis bij mijn vader woonde en veel te moeizaam aan de vereisten voldeed. Maar op kerstavond flakkert ze naast het haardvuur terug op en weet je wat, ik zal zelfs te vroeg zijn straks. De regen vult de zee en maakt haar nog onmetelijker. Ik gooi mijn hart in die oneindigheid. Het zinkt als een baksteen. Missie volbracht. Maar dan begint mijn hart in mijn keel te kloppen en ontstaan er grote golven op het ritme van het gebonk in mijn hoofd en dan duik ik er achteraan met mijn kleren aan. Als een doorweekte hond strompel ik terug uit het water. Dat wordt een nieuwe kerstoutfit uitzoeken voor vanavond… En kan er iets of iemand mijn hart efkes vol laten lopen met iets anders dan water en met iets warms?

Zal ik het eens in de fik proberen steken anders? ‘Van liefde rookt de schoorsteen niet’, een aanlokkelijk winters tafereel om na te bootsen op deze koude 24ste december. Het begint te roken en schiet vrijwel meteen vurig in vlam. Er zit dus liefde in mijn zwartgeblakerde schoorstenen hart. En ooit kon ik wel alleen daarvan leven.

Nu leef ik tussen bergen en dalen en ik zeul een zwaar rotsblok mee. Het heeft een scherpe punt en een top die iets weg heeft van een boezem – het lijkt op mijn hart van weleer. Ik wil die bergen en ik neem er de dalen bij. En ik kan alleen de longen uit mijn lijf lopen of aan een schuilhut tot rust komen als mijn hart geen loodzware, vormeloze, onwrikbare steen meer is. Maar zacht, met een boezemvormige top. Aha, we zijn er. Ik ga mezelf tegenspreken en dat is altijd goed, want dan kan ik daarna gaan zwijgen: ik moet van mijn hart helemaal geen steen maken. Ik ben tevreden met het hart van een weekdier in mijn borstkas. En ja, een zacht hart valt al eens loeihard neer. Wie het ook was die de eerste steen geworpen heeft. En breekbaarheid is schoon.

Breekbaarheid, ik struikel over het woord. Alsof mensen echt kunnen breken. Een stem, dat kan breken. Een hart. Een kerstbal vanavond. Maar een hele mens?

Dat ga ik nu eens écht niet testen: mezelf inpakken in bakpapier, in de rivier gaan liggen, naah. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.

11791e38e038fddf8a151c19f411dc0e

♪Feel Real – Deptford Goth

Als je ooit

Als je ooit

als je ooit onder de indruk raakt van iemand
en daar niet van afgeraakt
omdat ze mooi is vanbinnen – dat zie ik ook
en als je dan verliefd wordt op haar
met als gevolg op elkaar

als dan tijd voorbijgaat
en je kijkt hoe het gaat
je op een bepaald moment misschien aan mij denkt
opnieuw of nogmaals ofzo
en glimlacht
en dat jullie het goed hebben gehad
of het in elk geval hebben gehad met elkaar
dat je misschien terug wil naar wat wij hadden
en voor even konden houden
waar we van hielden

als je me dan zou zoeken
of zelfs opzoeken
dan weet ik zonder woorden

dat je voor mij hebt gekozen
onze eerste keer zijn wij elkaar plots
en halsoverkop overkomen

an als ik je na 5 minuten nog niet buiten kegel
je niet steek als een egel en bejegen
weet dan dat ik nog altijd voor jou kies
niets liever wil dan dit te bezegelen

ik ben blijven houden van
ons
en hoe wij alles samen hielden.

***
Als je ooit terug

als ik ooit onder de indruk raak van iemand
van iemand die ik niet kan vergeten

jij met deuren slaat
wij elkaars ramen inslaan
en ik nog verder van jou weg verhuis
als dan tijd voorbijgaat
tergend traag
veel te stil
zonder elkaar

als jij en ik erg afzonderlijk kijken hoe het gaat
en hoe niet
als we op een bepaald moment denken aan elkaar
hoewel we heel hard ons best doen om dat niet
om niets te doen

als zij en ik elkaar vinden
zij diep graaft en ik hoog vlieg
maar dat ik merk dat ik niet vrij ben
mijn enige hart nog aan jou kwijt …

als jij eens en dan weer ik
elkaar net misgelopen
terug willen naar wat wij hadden
voor even konden houden
waar wij van elkaar hielden

als er voldoende tijd is vervlogen
vacuüm en vrij
en we dan nog eens durven afspreken
tegenover elkaar
misschien een beetje leunend tegen mekaar …
met zwakke knieën en zware monden

als we merken dat er veel tijd is vervlogen
maar dat we elkaar nog altijd halsoverkop …
en dat we elkaar willen bijhouden
dan is er veel nog niet verloren

als ik ooit en als je ooit terug
wil komen
kom dan.

***
Als je ooit weg

als je ooit weg wandelt
dan hoop ik dat je jezelf onderweg
tegenkomt

jouw oriëntatie beter is dan de mijne
je jezelf omhelst
ziet hoe mooi je bent
zoals nooit tevoren
want wij hebben elkaar graag gezien
maar onszelf nog niet

daar is het nu tijd voor
en daarom kunnen wij niet bij elkaar zijn
we kunnen het zelfs moeilijk uitstaan
omdat het uitdagend is
we dan met elkaar willen praten en zoenen
tot het goed gaat met jou en met mij
want dat willen wij

maar we moeten onze eigen gaten opsporen
we moeten onze eigen deuren vinden
en onze ramen openzetten
wind laten waaien

en uitgewaaid thuiskomen bij onszelf
op een avond dat de tafel gedekt is voor één
weer denken aan die gaten
en proberen voelen waar ze zaten

als je ooit weg wandelt
omdat je de weg zoekt
dan laat ik je wandelen

jij zal dan zeggen dat ik dat doe omdat ik je niet
aankan
ik zal dan denken dat ik dat doe
gewoon doe
omdat wij altijd het gevoel hadden dat wij nog ergens moesten geraken
samen
en omdat ik eigenlijk ook gewoon wil wandelen
zonder moesten en zonder geraken

we konden elkaar wind in de rug blazen
maar we konden elkaar toen niet dragen – teveel gaten

als je dan ooit weg en elders bent
dan hoop ik dat je durft te huilen
van schoonheid en van verdriet
dat je tijd neemt om naar woorden te zoeken – en ik naar minder
dat je je laat drijven door je gevoelens
en niet door je angst
dat je drijft op je wensen inspiratie
je liefde
voor jezelf en voor mensen

weet dat het in dit leven is
in het leven dat ik in mijn eigen grote blote handen
houd
en met mijn eigen smalle vingers maak
dat ik jou en jouw zelfgemaakte leven wil terugzien

als je ooit weg wandelt,
dan hoop ik dat je nog een boek bij mij vergat

10511182_10204516439574890_1125125093094244857_n

Love won’t be leaving – Anna Calvi

Love More

Ge kunt dat, en toch

Hoe telefoneert ge met uw lief
Als ge haar eigenlijk wilt kussen.

Hoe vertelt ge dat ge het sexy vindt wanneer ze nadenkt
over wat ze wil gaan zeggen.
En evenzeer wanneer ze uiteindelijk wijselijk besluit te zwijgen.
Hoe vertelt ge haar dat ge haar erg interessant vindt.
“Moest ik u nog niet kennen en u tegenkomen op café met uw Trippel
en met uw cafépraat…
Ik zou mijn ogen niet van u kunnen afhouden. Omdat ik u interessant vind, ja.
En razend knap”.
Zo?

Hoe laat ge haar voorzichtig weten dat ge haar mist,
maar dat alles ook wel goed met u gaat?
Dat de wereld dus niet vergaat. Dat ge een hele dag nog niet hebt gepraat. Maar dat er altijd dingen zijn waarvan uw hart overslaat.

Hoe vertelt ge dat ge zonder haar zou kunnen leven. Perfect.
Maar enkel met haar levensecht.

Moogt ge dat vertellen, dat ge haar nodig hebt?
Want ge zou haar niet roepen als ge op’t toilet zit en de bel net zou gaan… ge zou efkes vloeken, wat harder drukken, u spoeien en zelf gaan opendoen, natuurlijk.
Ge zijt een plantrekker.
Maar toch hebt ge haar nodig.
Ge kunt u zelf wel wassen in den douche – en stiekem wilt ge al het lekker warme water helemaal voor uzelf – maar toch glimlacht ge als zij met haar schoon handen over uw lijf wrijft.
Ge kunt zelf koffie zetten. U voor het kleinste en voor het grootste sterk maken.
Ge kunt dat echt.
En toch aan haar uw hart willen luchten.

Ge kunt kerstavond perfect apart vieren,
met de mensen die ge al jaren rond u wilt hebben
en met de nieuwe mensen in hun leven, erbij.
Met kaarsen schoon op de tafel geschikt.
Met alles exact op zijn plaats.
En toch nog een seconde twijfelen om de allerlaatste trein te nemen, naar haar.

Vertelt ge zo’n dingen dan aan iemand? Als ge een plantrekker zijt?

311891_10151035563872102_1875320143_n.jpg