Wijfjeshert

Leegte. Ik tast, ga tot op de naad, maar voel niets. Mijn haar waait weg in de wind. Ik draag al dagen dezelfde wollen bordeaux trui. De inhoud van mijn grote trekrugzak ligt uitgespreid op de stoep naast mijn voordeur. Mijn vijf paar onderbroeken – want vanaf vijf krijg je korting in de Hunkemöller – moffel ik gauw weg onder enkele minder verhullende kledingsstukken.

Na enkele dagen trekken langs Ardense bergen en dalen en gelijkvormige emoties, wil ik het liefst van al die ene deur in Brussel door. Waar een sticker van Bond Zonder Naam me ‘Weer of geen weer, altijd welkom’ heet. Desalniettemin, hier sta ik dan. Want ik vergat mijn sleutels. Bij mijn moeder die op enkele uren reizen op een Ardense heuvel woont. Dit vergeten draagt iets moois in zich. Alsof ik ergens diep vanbinnen na jaren van afstand en nadien van heropbouw opnieuw bij mijn moeder wil thuiskomen. Ooit heb ik reeds in haar gewoond.

Koortsachtig trek ik alle ritsen open die ik maar kan vinden. Van mijn rugzak dan toch. Ik tast opnieuw, ga tot op de naad en voel hoe een Maltezer aan mijn hand lekt. Ik heb honden al altijd empathische dieren gevonden. Het baasje van de Maltezer vraagt me wat er aan de hand is. Ik antwoord dat haar hond me daar net lekte. Nog voor ik kan opkijken of ze het woordspelletje begrepen heeft, hoor ik een gil. Ik zie hoe een fiets op enkele centimeters van de Maltezer halt houdt. Een man met een bordeaux muts waaronder zwarte krullen vandaan kruipen, vraagt me: “Ga jij op straat kamperen?” Een vraag uit de duizend. Het besef dat ik me gelukkig mag prijzen met mijn ‘weer of geen weer’ appartement kruipt luid bonkend onder mijn hoofdhuid. Ik leg hem uit dat ik mijn sleutels vergat en dat ik van plan ben om een slotenmaker op te bellen. Ik flap er ook nog uit dat dat klote is, want dat die mannen veel geld vragen voor twee minuutjes werk. En dat ik zou willen dat ik zelf sloten kon openbreken. De vrouw vindt het maar louche en zegt dat ze maar eens verder moest. Ik zie hoe ze in haar broekzak tast en haar sleutels aait.

“Ik kan je dat leren”, fluistert de bordeaux muts. “Ik kan je leren hoe je een slot openbreekt, als je wil”. In eerste instantie flitsen nodige overpeinzingen omtrent mijn goedgelovigheid door mijn hoofd. In tweede instantie denk ik aan de mogelijkheden en de magie die je kan vinden door uit je comfort zone te stappen, door het conventionele los te laten. Tevreden met de volgorde van deze gedachtegang, kijk ik de vreemde man aan. Ik zoek in zijn ogen naar vervreemding of vertrouwen. “Oké”, zeg ik en we schudden elkaar de hand. Zijn we nu partners in crime?

Ik haal er nog een partner bij, als buffer voor mijn eventuele goedgelovigheid. Ik bel aan bij de onderbuurvrouw vanop ‘het eerste’ en doe haar het verhaal in het portiek. “Als je snel fietst, haal je de Brico op de Charleroisesteenweg in Sint-Gilles nog voor sluitingstijd”, zegt ze. We schudden elkaar de hand. We zijn nu partners in crime.

“Tu t’appelles comment?”, vraag ik aan de man. “Je ne m’appelle pas, ce sont les autres qui m’appellent”, antwoordt hij cryptisch. ‘Prachtig”, denk ik. “Woon je in de buurt?”, probeer ik verder, om toch iets van mijn kompaan te weten te komen. “We moeten toch niet alles van elkaar weten vandaag”, antwoordt hij. Er klinkt een lichte spot in zijn stem. Hij merkt dat ik met vragen zit en dat ik zal blijven doorvragen tot hij iets lost over zichzelf. “Wie ben jij, dat weet ik toch ook niet? Dat vertel je mij misschien pas een volgende keer. Je moet niet ongerust zijn. Het is een bizarre situatie, maar ik ga morgen niet jullie appartement komen leegroven. Geloof je in synchroniciteit? Dan ben ik gewoon op het juiste moment langs gefietst. En heb ik ook op het juiste moment geremd voor die hond”, lacht hij. Het lijkt alsof hij mij overpeinzingen omtrent mijn goedgelovigheid heeft aangevoeld en hij pakte ze met humor aan. De onderbuurvrouw knipoogt en staat best goed met de schroevendraaiers die ze heeft bovengehaald voor straks.

We fietsen snel. Ik vraag hem – tot hij iets lost – of hij met deze interventie geen tijd verliest. “Tijd verliezen… is voor mij daarmee iets anders aan iemand aanbieden”. “Nog eens prachtig”, denk ik. Aangekomen in de Brico, lopen we naar de rayon met de sloten. Ik kies een nieuw exemplaar uit. Hij vraagt me hoe ik de klus wil klaren. Met een boor of met een ‘pied de biche’. Ik schiet in de lach. ‘Pied de biche’. ‘Voet van een wijfjeshert’. Ik vertel hem dat ik de klus zou klaren met een koevoet, ‘pied de vache’, waarop hij in de lach schiet. “Zo een grote voet heb je toch niet nodig…” “En nu wou ik jouw naam zeggen, maar die ken ik vandaag nog niet”. “Ik heet Jill”, zeg ik. “Aangenaam, ik heet Mohammed”. En we schudden elkaar nogmaals de hand.

“Hoe breek je weeral een slot open”, vraagt hij aan één van de winkelbedienden. De man legt gedetailleerd uit hoe je het best te werk gaat. Parate kennis, lijkt het. Ik probeer mijn verbazing te verstoppen en gedraag me als een volwaardige handlanger van Mohammed. Buiten pols ik even of hij nergens te laat komt door dit onverwachts moment van synchroniciteit. “Je ne suis jamais en retard pour moi”, zegt hij. Ik antwoord dat hij precies past op de laatste pagina d’un journal bij de kruiswoordraadsels. “Il y a differentes sortes de journaux. Journaux personnels, ‘dagboeken’ ou le journal basé sur l’actualité”. “Dagboeken zijn op een andere manier ook actualiteit”, speel ik hem de bal terug. We staan gelijk.

De voet van het wijfjeshert trapt mijn slot open. Ik installeer het nieuwe exemplaar op Mohammed’s aanwijzingen en vis toch nog een keer naar zijn achtergrond. “Ben je daar weer. Ja, waar liggen iemands wortels… die kunnen bij wijze van spreken in een ijsblokje hebben gezeten zonder verder te reiken. Of ze zijn kunnen groeien, alle richtingen uit”. “Je hebt een open geest”, zeg ik nog duizelend van zijn verreikende antwoord. “Un esprit ouvert. Hoe opent een geest zich? Heb jij biologie gestudeerd ofzo? Dat je weet hoe de geest als onderdeel van het lichaam zich opent zoals een deur of een slot?”, zegt hij dollend. Ik vraag hem of hij filosoof of poëet is. “Alles wat je niet meteen begrijpt, klasseer je dat dan onder filosofie op poëzie? Ik hou van woorden. En ik zal in mijn antwoorden aan jou en in alles wat ik doe op handen en voeten lopen in plaats van op mijn twee benen. Omdat wij onze hersenen continu moeten trainen om het conventionele los te laten”. Hij grijpt naar zijn portefeuille. “Kijk, aanhouder, je wint. Hier heb je mijn identiteitskaart. Zoek naar de wortels die je wil vinden”, glimlacht hij.

“En neen, want ik hoor het je denken: dit kost niets. Enkel een ‘goeie dag’ als ik u nog eens tegenkom. En een koffie. Tot dan”. We lachen en we schudden elkaar nog één keer de hand. Eindelijk thuis. Na een pak magie, gevonden vlak naast mijn comfort zone.

Advertenties

Hart.Steen.Papier.

Ik moet leren van mijn hart een steen te maken. Dus haal ik het uit mijn borstkas. Pak het in met bakpapier. Kleur het papier grijs met een zachte stiftpunt. Ik strek mijn arm uit, zo hoog als ik kan. En ik werp de steen loeihard op de grond. Ik hoor een zachte plof. Nog niet hard genoeg. Er ontstaat een rode plas rond het grijze pakje.

Ik leg mijn druipende hart in een rivier om het bloed weg te spoelen. Ik raap het terug op om een steen verlegd te hebben. En dan moet het wel een steen worden, want ik heb in die rivier een steen verlegd en geen hart.

Ik kan het op de valreep nog aan Music for Life geven om mijn steentje bij te dragen. Neen, want dan heb ik er wel een steen van gemaakt, maar dan is het ook weg. En ik weet niet naar welk goed doel. En dat is allemaal niet de bedoeling.

Dan maar naar de zee vandaag, naar de storm gaan kijken. Thuis zijn voor het avondeten is de enige gevierde vereiste. Ze lijkt een ver verleden, één waarin ik nog thuis bij mijn vader woonde en veel te moeizaam aan de vereisten voldeed. Maar op kerstavond flakkert ze naast het haardvuur terug op en weet je wat, ik zal zelfs te vroeg zijn straks. De regen vult de zee en maakt haar nog onmetelijker. Ik gooi mijn hart in die oneindigheid. Het zinkt als een baksteen. Missie volbracht. Maar dan begint mijn hart in mijn keel te kloppen en ontstaan er grote golven op het ritme van het gebonk in mijn hoofd en dan duik ik er achteraan met mijn kleren aan. Als een doorweekte hond strompel ik terug uit het water. Dat wordt een nieuwe kerstoutfit uitzoeken voor vanavond… En kan er iets of iemand mijn hart efkes vol laten lopen met iets anders dan water en met iets warms?

Zal ik het eens in de fik proberen steken anders? ‘Van liefde rookt de schoorsteen niet’, een aanlokkelijk winters tafereel om na te bootsen op deze koude 24ste december. Het begint te roken en schiet vrijwel meteen vurig in vlam. Er zit dus liefde in mijn zwartgeblakerde schoorstenen hart. En ooit kon ik wel alleen daarvan leven.

Nu leef ik tussen bergen en dalen en ik zeul een zwaar rotsblok mee. Het heeft een scherpe punt en een top die iets weg heeft van een boezem – het lijkt op mijn hart van weleer. Ik wil die bergen en ik neem er de dalen bij. En ik kan alleen de longen uit mijn lijf lopen of aan een schuilhut tot rust komen als mijn hart geen loodzware, vormeloze, onwrikbare steen meer is. Maar zacht, met een boezemvormige top. Aha, we zijn er. Ik ga mezelf tegenspreken en dat is altijd goed, want dan kan ik daarna gaan zwijgen: ik moet van mijn hart helemaal geen steen maken. Ik ben tevreden met het hart van een weekdier in mijn borstkas. En ja, een zacht hart valt al eens loeihard neer. Wie het ook was die de eerste steen geworpen heeft. En breekbaarheid is schoon.

Breekbaarheid, ik struikel over het woord. Alsof mensen echt kunnen breken. Een stem, dat kan breken. Een hart. Een kerstbal vanavond. Maar een hele mens?

Dat ga ik nu eens écht niet testen: mezelf inpakken in bakpapier, in de rivier gaan liggen, naah. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.

11791e38e038fddf8a151c19f411dc0e

♪Feel Real – Deptford Goth

Mijlpaal

De dag van mijn 18e verjaardag, wist ik niet hoe ik mij moest gedragen.
Wist je dat dat eigenlijk een mijlpaal is? Mijn moeder had me regelmatig verteld dat 18 jaar worden, een mijlpaal is. Ik had nachten wakker gelegen, wachtend op en gissend over die ene doorbraak. In de wetenschap dat ik een mijlpaal meemaakte, was ik die dag erg onrustig. Maar ik merkte ik niets speciaals. Allez, ik kreeg wel een mooie ring van mijn vriendinnen op school. Hij zat opgeborgen in een doosje gevuld met watten en versierd met kaftpapier van rode rozen. In het tweede leerjaar had ik een meisje leren kennen dat exact dezelfde pink had als ik. Aagje. We waren tien jaar en enkele krab- en huilsessies later nog steeds bevriend. En zij was de uitgekozen ring gaan passen om zo dicht mogelijk bij mijn ringmaatje te komen. Geen makkelijke opdracht, mijn vingers hebben het formaat van een smalle vulpen – toeval of niet dat ik graag schrijf? Ik speelde enkele maanden later de ring kwijt tijdens het Graspop Heavy Metal Festival op een modderig veld tijdens een optreden van Slipknot, begot. Zat hij toch wat los of was ik te hevig aan het pogoën? Toch, op de dag van mijn 18e verjaardag merkte ik geen grootse omwenteling, geen transmutatie, zelfs geen zwenking. Ik werd niet plots een vrouw. Evenmin kreeg ik plots grotere borsten – wat ik nochtans bij vele voorafgaande verjaardagen en vallende sterren gewenst had. Ik wist ook met een ring aan niet hoe ik mij moest gedragen en ben na een stuk taart ’s avonds vroeg gaan slapen.

Mijlen heb ik gewandeld sindsdien, maar ik ben geen enkele mijlpaal tegengekomen. En zelf kreeg ik er geen in de grond geklopt. Oké, mijn reis naar Zuid-Afrika was onvergetelijk. Afstuderen was bevrijdend. Mijn eerste job was op zijn minst een speciale ervaring. Het daarbij horende bedevaartsoord bezoeken en er pralines verkopen aan zwermen zusterkes, ook. Even samenwonen, terug thuis belanden, een nieuwe job aangaan, verliefd worden met een coup de foudre, eigenlijk niet zo triviaal allemaal. Maar toch ook geen mijlpalen.

En sinds kort, negen jaar na de grote mijlpaal, bestaat mijn leven alléén nog maar uit mijlpalen. Ik ben een laatbloeier. Maar ik word wel een vrouw. Ik ben alleen gaan wonen in Vorst. ‘Forest’ in het Frans en als je dit luidop zegt, betekent het ‘bos’ in het Nederlands. Ik ging voor de eerste keer naar een lesboparty. En ik heb mijn ogen de kost gegeven, wat een ervaring, oehlala. Ik was fameus content – ik hoor u al denken… waarom? Ik vond mijn toenmalig lief de knapste op de dansvloer.

Ik heb ‘neen’ leren zeggen. Ja, ‘neen’. Ik ben mezelf graag gaan zien. Ik heb een blog gemaakt en ik ben heel blij dat ik dat gedurfd heb. Ik heb gehuild op mijn kussen in bed. En ook verschillende keren tijdens het afwassen… Het overvalt mij soms zo plompverloren. Maar zo op mijn kussen, dat was mij nog nooit overkomen. Ik las acht boeken op twee maand. Zegde mijn job op zonder iets nieuws op het oog te hebben en ik ga springen.

Ik stak eens kaarsjes aan op een avond, zonder reden. Ik heb toen een kleedje aangedaan en zelfs lip gloss. En ik heb lekker gekookt voor mezelf. Op een poëzienamiddag mocht ik een zelfgeschreven tekst voorlezen. Ik heb nog eens een tekst voorgelezen, dit keer voor twee vrienden door twee gsm’s tegelijkertijd.  Ik omhelsde mijn vader tijdens een wandeling met ons twee. Ik ging alleen naar de film, alleen naar concerten, zelfs naar eentje van The National – mijn helden – in mijn eigen hometown én ik nodigde hen uit voor een pint bij mij thuis. Ja, ‘neen’.

Thuis, zo lang thuis zijn dat ik thuis kom. Lezen, hangen en naar het plafond staren. En dan oprecht blij zijn wanneer iemand me opbelt. Zelf initiatief nemen. Niet nadenken over wat ik nog allemaal moet doen en alweer vertrekken zonder het gevoel dat ik nog niet eens ben thuisgekomen. Gewoon doèn. Spontaan een koffie gaan drinken met een vriend. Uiteindelijk iets gaan eten in een plekje dat hij uitkiest. Met maaltijdcheques betalen, iets dat diezelfde vriend het sterkste signaal vindt van het feit dat de maatschappij drastisch verandert, dat ik met maaltijdcheques betaal.

Iemand pijn hebben gedaan en willen dat ik dat teniet kon doen. Splijten als kernenergie. De nieuwe atoomkernen die hierbij ontstaan, zijn samen lichter dan de som van de initiële kernen. Mijn stof en mijn schaduw bijeenvegen. Glimlachen wanneer ik een compliment krijg en dit ook laten binnenkomen. De telefoon opnemen. Ja, echt waar tegenwoordig. In de zee van tijd duiken. Een hele dag in pyjama rondlopen. Thuis weliswaar. Een klerenberg laten groeien in mijn kamer – groeien bergen eigenlijk?

Een vriendin vertellen waar ik mij niet goed bij voel en dit uitpraten. Woorden uitspreken die ik altijd al schuwde. Letterlijk woorden, omwille van hun betekenis die ik niet aankon. Een njet krijgen van een droomjob en een Prezi maken met filmpjes en animatie over waarom ik wél ben wie ze zoeken. Weten dat ik mijn ouders deugd doe. Weten waar ze de beste kebab verkopen in mijne quartier en waar de uitbater het liefst is. Een stamfrituur, stampizzeria en een stamcafé hebben. Een brief schrijven van 14 pagina’s. Zoveel pagina’s telt mijn hart dus. Een vriendin zei me: “Misschien is roken nog gezonder. Of voor je hart, om het binnen de vier hoeken van een ansichtkaart te krijgen”. Verder niets meer kunnen schrijven gedurende een hele maand. Mijn vader die zegt: “Bedankt voor het telefoongesprek, Jill. Je hebt mij dinges doen inzien. Nu ga ik afleggen want ik moet naar het toilet. Echt waar he, ik vind het niet uit”.

Mijn favoriete schrijver toevoegen op Facebook. Hem naar zijn kelder sturen om er een niet meer verkrijgbaar exemplaar van zijn gebundelde columns vanonder het stof te halen en hem vragen het op te sturen naar het ‘bos’ waarin ik woon. Een kleedje aandoen om naar het werk te gaan. Me omdraaien wanneer mannen een grote bek opzetten op straat en vragen wat ze juist gezegd hebben of wat er aan de hand is. Existentieel iemand missen. Plaats maken.
Nog een plaatske vrij hebben in mijn leven. Voor een volgende mijlpaal.

Mijn borsten mogen nog altijd eens gaan groeien, bijvoorbeeld.
En verder… weet ik nog altijd niet hoe ik mij moet gedragen.

567_002