Blauwe hanger

mijn blauwe hanger is mijn honger
ik heb honger dag en nacht doorlopend
als een koffiezet
bij elke ademhaling
pompen er prikkels zware cafeïne
door mijn zenuwen

mijn hart heeft water nodig
en een weg om thuis te komen
gelukkig is mijn lichaam eindig
aan mijn vingertoppen
zo blijft steeds een deel van mij
binnenshuis

mijn blauwe hanger is mijn buik
het is een waterput
dag en nacht doorlopend
als een spiegelbeeld
waarin ik broze bronzen vragen gooi
aan de waterput krijg ik spieren

van mezelf te zijn.

(schrijfopdracht cursus ’t Werkhuys: ‘breng iets mee dat belangrijk is voor jou en schrijf’)

(tagua) noot gekraakt – nieuwke gehaaldblauwe hanger

♪Daydreaming – Dark dark dark

Advertenties

Verwarde vogels

de enige rook die de boer vertrouwt
is de dauw die verdampt
en de nevel vroeg op zijn veld

een sigaret brandt in zijn eigen vel
zijn hand telt een zesde vinger
de enige waarmee hij zichzelf verwijt

dat de lucht verbleekt
hij strooit zijn hoop op de aarde verder
bewerkt ze en oogst slechts verwarde vogels

die de stank van beton ontvluchten
de kern staat hier niet meer centraal
kijken we niet verder dan een kilometer

spreken we van mist
de enige rook die de boer vertrouwt
op zijn verdwijnende veld is de nevel
foto verwarde vogels
foto: Eddy Verloes.
Eddy Verloes maakt zo’n schone foto’s van landschappen, natuur en mensen, dat ik mij niet kon inhouden…

You get the picture: bij 2 foto’s van hem heb ik iets geschreven.
De stukjes kregen een plek in het foto-gedichtenboek ‘No time to Verloes’.
Ook Maud Vanhauwaert, Lulu Wang, Ann Dewulf, Gui Nijs, Jan Vanhaelen en Dirk De Roo schreven iets moois.

Welkom op de Vernissage 1 mei in de Galerij Expo te Knokke.
+ verder op de expositie 1mei – einde zomer om de pure foto’s en teksten te zien. En geniet tegelijkertijd van een dagje zee? :-)

In de krant

Curieus? Preview hier.

Water na de wijn

we worden wakker
in een krater
heeft iemand mij geroepen?

waarom roepen we zelfs naar honden
ik wil zonder
koord rond mijn hals naar je toe komen.

we liggen op elkaars hart we liggen op elkaar
op elkaars maag
tot we terug op onze benen staan

we proberen elkaar te lezen
we zijn ergens gestopt met een fout te maken
het is achter de rug wanneer we ons omdraaien

we zijn jong zonder het te weten
de toekomstmuziek vergeten
we vallen als we te lang op één been diepvriesmaaltijden eten

’s nachts waden we bloot door onze huizen
op zoek naar water na de wijn
we zijn geen indianen meer

Meteorcrater.jpg

*Dit gedicht veroverde een plekje in ‘Het Gezeefde Gedicht’ van Charles Ducal en Roel Richelieu Van Londersele:

♪We’re young – James Arthur

 

Vrouwenmantel

ze is tien
alleen wat niet tot de les hoort, schrijft ze
op en tussen de lijnen gaat alles over liefde
ze is tien en gaat er al aan kapot

ze moet naar de dokter
onderzoeken hoe het komt
want ze kan de liefde niet

op school leer je exacte wetenschap
ze kan jongens nog niet meten en de liefde:
uit haar schriften gescheurd

iemand zei maak je borst nat en smeer je kuiten
de moed was van haar gerijpte borsten tot in haar schoenen gezakt
dus smeert ze haar schoenen in

met gescheurde liefde uit oude schriften
meet ze zich naast haar vrouwenmantel een man
mettertijd blijft een bord over

wegens geen wederhelft meer om voor te zorgen
wie minder eet, heeft niet perse minder honger
en dat het geen probleem zal vormen

want sommige dieren halen de lente niet
met de grote wijsheid van hun instinct
zoeken ze een plek voor de dood

vanaf nu speelt ze de tweede viool
dit moest haar van het hart
op haar tong en de liefde:

onder haar mantel gedroogd

my_second_violin_2a03efda070fceef68ea63dbdc0a45e7

*Dit gedicht veroverde een plekje in ‘Het Gezeefde Gedicht’ van Charles Ducal en Roel Richelieu Van Londersele.

Oud geluk

de naam voor een halve foto
van een oude vrouw met een appelrode jas
die alleen in het midden van een pier ijsbeent

haar evenwicht zoekt aan de wankelbare zee

terwijl zij afwisselend naar haar voeten, haar man en de horizon
achterom kijkt

de naam voor de wederhelft van een foto
van een oude man met een appelgroene jas
die alleen in het midden van een akker ijsbeert

zijn evenwicht houdt op het vaste land

terwijl hij om beurten naar zijn voeten, zijn vrouw en de grond
zijn blik schenkt

creatiefschrijven.be/jill-marchant-wint-beeld-express-januari-2015/

Ludo-Van-den-Schoor-kopie-266x300

Broos

ik maak een huis
in een stal van herinneringen
en van de gaten erin

het plafond weegt zwaar
het bestaat uit takken die ooit twijgjes waren
en die altijd

altijd kunnen breken
ik weet dat jij weet dat we – even – broos zijn
er ligt dik stof op de ruiten

licht kruipt
wringt
binnenin

barsten
tellen
slaan

(wachten tot ze gaan)

met deze muziek?♪)

Waar leggen we het nu

Afronden. “We moeten het afronden”, zegt ze.
Als het moet, dan moet het. Wacht. Ik vraag me af waarom het moét?
Ze zeggen toch evengoed “Alles mag, niets moet?” Wat klinkt het luidst? Wat echoot, wie fluistert, wie voegt werkelijk iets toe aan de stilte, wie zwijgt? Bon, mijn vragen spartelen tegen en tegenspartelen gaat steeds slechts voor even. Uiteindelijk is het altijd voor ieder een kwestie van accepteren. We moeten dus stillekes afronden.

Nog een vraag. Het komt niet voort uit uitstelgedrag, ik wil het echt graag weten: wat is dat dan, afronden? En hoe doe je dat met iets piekerig, iets dat zich niet laat vangen, dat gloeit, dat waait in de wind en danst op muziek. Kneed ik het het best samen? Het prikt een beetje. En prop ik het zo binnen de lijnen van een cirkel? Ik probeer het eens.

Ik geraak stilaan buiten het afgeronde geheel. Als voorbij een hek waaraan ik mijn kleren scheurde. En ik hoor het nog woelen achter mij. Ik wil dat het stilt. Ik wil dat alles zou kunnen stillen. En dan weer na een tijdje zijn eigen geluid aanneemt. Maar vanaf dan ook steeds weer kan stillen. Als iemand wil dat het stilt.

Zo, het zit er in, in de cirkel. Het is er in gepropt en opgeborgen. Zou het daar nu veilig zitten? Daarbinnen blijft het nog bestaan. En woekeren. Dat kan niet de bedoeling zijn. Tenzij het na een tijdje stilt, want iemand wil dat het stilt. Bovendien, waar leggen we het nu. Deze cirkel is slechts schijnbaar rond, er zullen nog vragen komen.

Het zou moeten kunnen doven als een smeulend vuurtje – want het is waar dat het warmte gaf. Neen, want dat het als as uiteen valt, dat wil ik niet. Dat het vervliegt en verdampt, evenmin. Weg is zo… weg. Het zijn geen stappen waarop je kan terugkomen. De theepot ‘Himalaya’ die we leegdronken, kunnen we er toch ook niet terug uitgieten.

Weet je wat het mag van mij? Het mag zoals een zonsondergang gaan. Mee met de zon onder gaan. En wanneer de zon terug opkomt, zal het er deel van geworden zijn. Want het is waar dat het straalde. En het werpt vanaf nu mee een nieuw licht op de te komen nieuwe dagen.

♪Come let go – Xavier Rudd

 

Wijfjeshert

Leegte. Ik tast, ga tot op de naad, maar voel niets. Mijn haar waait weg in de wind. Ik draag al dagen dezelfde wollen bordeaux trui. De inhoud van mijn grote trekrugzak ligt uitgespreid op de stoep naast mijn voordeur. Mijn vijf paar onderbroeken – want vanaf vijf krijg je korting in de Hunkemöller – moffel ik gauw weg onder enkele minder verhullende kledingsstukken.

Na enkele dagen trekken langs Ardense bergen en dalen en gelijkvormige emoties, wil ik het liefst van al die ene deur in Brussel door. Waar een sticker van Bond Zonder Naam me ‘Weer of geen weer, altijd welkom’ heet. Desalniettemin, hier sta ik dan. Want ik vergat mijn sleutels. Bij mijn moeder die op enkele uren reizen op een Ardense heuvel woont. Dit vergeten draagt iets moois in zich. Alsof ik ergens diep vanbinnen na jaren van afstand en nadien van heropbouw opnieuw bij mijn moeder wil thuiskomen. Ooit heb ik reeds in haar gewoond.

Koortsachtig trek ik alle ritsen open die ik maar kan vinden. Van mijn rugzak dan toch. Ik tast opnieuw, ga tot op de naad en voel hoe een Maltezer aan mijn hand lekt. Ik heb honden al altijd empathische dieren gevonden. Het baasje van de Maltezer vraagt me wat er aan de hand is. Ik antwoord dat haar hond me daar net lekte. Nog voor ik kan opkijken of ze het woordspelletje begrepen heeft, hoor ik een gil. Ik zie hoe een fiets op enkele centimeters van de Maltezer halt houdt. Een man met een bordeaux muts waaronder zwarte krullen vandaan kruipen, vraagt me: “Ga jij op straat kamperen?” Een vraag uit de duizend. Het besef dat ik me gelukkig mag prijzen met mijn ‘weer of geen weer’ appartement kruipt luid bonkend onder mijn hoofdhuid. Ik leg hem uit dat ik mijn sleutels vergat en dat ik van plan ben om een slotenmaker op te bellen. Ik flap er ook nog uit dat dat klote is, want dat die mannen veel geld vragen voor twee minuutjes werk. En dat ik zou willen dat ik zelf sloten kon openbreken. De vrouw vindt het maar louche en zegt dat ze maar eens verder moest. Ik zie hoe ze in haar broekzak tast en haar sleutels aait.

“Ik kan je dat leren”, fluistert de bordeaux muts. “Ik kan je leren hoe je een slot openbreekt, als je wil”. In eerste instantie flitsen nodige overpeinzingen omtrent mijn goedgelovigheid door mijn hoofd. In tweede instantie denk ik aan de mogelijkheden en de magie die je kan vinden door uit je comfort zone te stappen, door het conventionele los te laten. Tevreden met de volgorde van deze gedachtegang, kijk ik de vreemde man aan. Ik zoek in zijn ogen naar vervreemding of vertrouwen. “Oké”, zeg ik en we schudden elkaar de hand. Zijn we nu partners in crime?

Ik haal er nog een partner bij, als buffer voor mijn eventuele goedgelovigheid. Ik bel aan bij de onderbuurvrouw vanop ‘het eerste’ en doe haar het verhaal in het portiek. “Als je snel fietst, haal je de Brico op de Charleroisesteenweg in Sint-Gilles nog voor sluitingstijd”, zegt ze. We schudden elkaar de hand. We zijn nu partners in crime.

“Tu t’appelles comment?”, vraag ik aan de man. “Je ne m’appelle pas, ce sont les autres qui m’appellent”, antwoordt hij cryptisch. ‘Prachtig”, denk ik. “Woon je in de buurt?”, probeer ik verder, om toch iets van mijn kompaan te weten te komen. “We moeten toch niet alles van elkaar weten vandaag”, antwoordt hij. Er klinkt een lichte spot in zijn stem. Hij merkt dat ik met vragen zit en dat ik zal blijven doorvragen tot hij iets lost over zichzelf. “Wie ben jij, dat weet ik toch ook niet? Dat vertel je mij misschien pas een volgende keer. Je moet niet ongerust zijn. Het is een bizarre situatie, maar ik ga morgen niet jullie appartement komen leegroven. Geloof je in synchroniciteit? Dan ben ik gewoon op het juiste moment langs gefietst. En heb ik ook op het juiste moment geremd voor die hond”, lacht hij. Het lijkt alsof hij mij overpeinzingen omtrent mijn goedgelovigheid heeft aangevoeld en hij pakte ze met humor aan. De onderbuurvrouw knipoogt en staat best goed met de schroevendraaiers die ze heeft bovengehaald voor straks.

We fietsen snel. Ik vraag hem – tot hij iets lost – of hij met deze interventie geen tijd verliest. “Tijd verliezen… is voor mij daarmee iets anders aan iemand aanbieden”. “Nog eens prachtig”, denk ik. Aangekomen in de Brico, lopen we naar de rayon met de sloten. Ik kies een nieuw exemplaar uit. Hij vraagt me hoe ik de klus wil klaren. Met een boor of met een ‘pied de biche’. Ik schiet in de lach. ‘Pied de biche’. ‘Voet van een wijfjeshert’. Ik vertel hem dat ik de klus zou klaren met een koevoet, ‘pied de vache’, waarop hij in de lach schiet. “Zo een grote voet heb je toch niet nodig…” “En nu wou ik jouw naam zeggen, maar die ken ik vandaag nog niet”. “Ik heet Jill”, zeg ik. “Aangenaam, ik heet Mohammed”. En we schudden elkaar nogmaals de hand.

“Hoe breek je weeral een slot open”, vraagt hij aan één van de winkelbedienden. De man legt gedetailleerd uit hoe je het best te werk gaat. Parate kennis, lijkt het. Ik probeer mijn verbazing te verstoppen en gedraag me als een volwaardige handlanger van Mohammed. Buiten pols ik even of hij nergens te laat komt door dit onverwachts moment van synchroniciteit. “Je ne suis jamais en retard pour moi”, zegt hij. Ik antwoord dat hij precies past op de laatste pagina d’un journal bij de kruiswoordraadsels. “Il y a differentes sortes de journaux. Journaux personnels, ‘dagboeken’ ou le journal basé sur l’actualité”. “Dagboeken zijn op een andere manier ook actualiteit”, speel ik hem de bal terug. We staan gelijk.

De voet van het wijfjeshert trapt mijn slot open. Ik installeer het nieuwe exemplaar op Mohammed’s aanwijzingen en vis toch nog een keer naar zijn achtergrond. “Ben je daar weer. Ja, waar liggen iemands wortels… die kunnen bij wijze van spreken in een ijsblokje hebben gezeten zonder verder te reiken. Of ze zijn kunnen groeien, alle richtingen uit”. “Je hebt een open geest”, zeg ik nog duizelend van zijn verreikende antwoord. “Un esprit ouvert. Hoe opent een geest zich? Heb jij biologie gestudeerd ofzo? Dat je weet hoe de geest als onderdeel van het lichaam zich opent zoals een deur of een slot?”, zegt hij dollend. Ik vraag hem of hij filosoof of poëet is. “Alles wat je niet meteen begrijpt, klasseer je dat dan onder filosofie op poëzie? Ik hou van woorden. En ik zal in mijn antwoorden aan jou en in alles wat ik doe op handen en voeten lopen in plaats van op mijn twee benen. Omdat wij onze hersenen continu moeten trainen om het conventionele los te laten”. Hij grijpt naar zijn portefeuille. “Kijk, aanhouder, je wint. Hier heb je mijn identiteitskaart. Zoek naar de wortels die je wil vinden”, glimlacht hij.

“En neen, want ik hoor het je denken: dit kost niets. Enkel een ‘goeie dag’ als ik u nog eens tegenkom. En een koffie. Tot dan”. We lachen en we schudden elkaar nog één keer de hand. Eindelijk thuis. Na een pak magie, gevonden vlak naast mijn comfort zone.

Tegelijk

ik reis te vaak met de trein
langs lappen stad
en landschappen die ik in wil stappen

ik rijd te snel door levens heen
waar ik te veel zie
dat mij van mijn sokken blaast

ik vertrek te snel
al wachtte ik nog 24 minuten op het perron
ik vertrok omdat ik niet kon blijven

we draaiden ons tegelijk na de omhelzing om

ik had er kunnen wonen
in die stad aan de andere kant van de trein
maar ik vertrok er telkens weer laatste keren

zonder sokken

♪Trains – Porcupine Treelose your train of thought

Getijden

ik dacht dat de zee op één plek aanspoelt
daar waar jij staat

en dat de golven in één richting bewegen naar daar
waar jij staat

maar hoe kan ik jou dan voelen
golven onder mij

hoe kan het dat ik in de spiegel
van de zee zie dat ik tegen mezelf bots

en jij voorbij vaart

14632846_674067326102002_2827731282020106766_n.jpg

♪Twilight

Ik u niet

“Ik was u kwijt.”
-“Ik u niet.”

Twilight – Elliot Smith

A song for a lover of long ago – Justin Vernon

l’Espérance

omdat er café’s zijn

met namen
als Eendracht, l’Espérance en De Muze

heb ik hoop

wanneer woorden
de titel van een plaats of een boek bekleden
weten we dat ze belangrijk zijn

omdat er café’s zijn
als Chez Maman, Dreams en De Post

waar we thuiskomen
met mondjesmaat
ontboezemen

heb ik hoop

hoe later hoe meer
uit volle borst

Onderweg

ik ben onderweg naar een vuilbak

om mijn mond leeg
te braken
van platgetreden gesprekken

en van rupsen

om met mijn mond vol
naakte tanden
mijn cocon uit te spugen

en weg te wandelen

177463-400x244.jpg

Koffie om mee te nemen

ik bestelde een koffie om mee te nemen

ze gaf me
een onderbord
met suiker
een wolk melk
een mals stuk speculaas
en een tot aan de rand gevulde porseleinen kop er bovenop

want zo kon ik mijn koffie toch ook meenemen
zei ze

14206186_1644484329200153_8802175344925049503_o

 

14457248_1659104877738098_853736306785796747_n

**Dit gedicht versierde een plekje op de Poëzieroute in Halen. Het kreeg één van de tien nominaties uit 300 inzendingen voor de wedstrijd ‘Klein Geluk’ Grote Poëzie- en fotowedstrijd Cultuurstad Halen.

 

hihi een koffiemachine op 2.40min 

 

“Wil je me één ding beloven?”

“Mijn hart heeft haar eigen weg.”
“Dat is waar, he?”
-”Ja.”

“Wat ben je aan het denken?”
-“Dat ik niet mag huilen.”

-”Sterk zijn is de rol die mij is toegeschreven zonder dat hij me past.”
“Als je sterk moet zijn, dan word je het.”

-“Ik kan niet stilstaan. Ik wil dat ook niet.”
“Als je niet wil stilstaan, dan wil je teveel.”

-”Je was toen heel goed voor mij.”
“Jij ook voor mij.”

“Gaan we tellen hoe vaak we eraan denken?”
-‘Dat is ontelbaar.”
“Ja. Je hebt gelijk.”

“Wat doe je. Doe je geen pijn.”
-“Ik maak mij los van de dingen.”
“Wil je mij vastnemen.”

-“Je weet dat ik niet kan wachten. Tot één van de twee mogelijkheden verlopen is.”
“Ja. Ik weet dat ik op een bepaald moment verloren zal hebben.”

-“Ik moet je tijd geven.”
‘Ik ook… Jou tijd geven.”

“Sorry.”
-“Waarvoor?”
“Neem het nu maar aan.”

-“Het is oke, ik ben ook in de war.”
“Maar ik denk dat jij ànders in de war bent.”

“Van waar komt het?”
-“Maar dat weet ik toch niet?”
“Van waar komt een gedachte?”
“Van buiten je hoofd. Of van binnenin? Van wat altijd stil is, opmerkzaam blijft en graag ziet?”
-“Begin niet met zo’n vragen. Want ik weet niet vanwaar het antwoord zal komen.”

“Alles kan.”
-“Nee. Niet alles kan.”

“Seg en euhm. Waar slapen engeltjes dan?”
-“In een bed.”
“En doen ze dan hun vleugels uit?”
-”Ja. Niemand kan altijd vliegen. Zelfs de wind gaat soms liggen.”

“Je lacht niet mee.”
“Doet het pijn te lachen?”
-”Als ik het voor jou doe?”
“Bedoel je dan dat je me geeft wat je niet kan geven?”
-”Ja.”

“Ineens ben je gestopt met zoeken.”
-“Ja. Omdat ik iets gevonden had.”

“Ik weet iets wat jij niet kan dat ik ook niet kan.”
-Is het geloven?”
“Ja, dit geloven.”

“Is het de realiteit die soms als een droom kan aanvoelen…?”
-“Ik weet niet of je iets dat enkel bestaat uit dromen en gedachten kan aanvoelen eigenlijk.”

-“Je denkt veel na, he.”
“Teveel?”
-“’Het is nooit teveel…”, zei ze op een van de vele manieren waarop ze omarmt.

“Ik kan dit nooit neerschrijven, dit alles.”
-“Dat hoeft ook niet.”

“Maakt het uit.
Dat er al zoveel boeken zijn? Met diepste, met woorden uit onze diepte.
Woorden waar diegene die ze bedoelde zoveel in stopte,
zelfs bijna het gevoel erbij.”
-”Nee. Het maakt niet uit. Als je dat doet. Als je dat maar doet.”

“Je wil iemand een vraag stellen,
maar je doet het op dat moment nog niet.
Je denkt dat het zo beter is.”
-“Dacht je daar nu aan?”
“Ja.”
-“Wilde je me een vraag stellen?”
“Ja. Nog niet.”

“Wil je me één ding beloven?”
-“Ja.”
“Dat je weer durft dromen.”

13882270_1084976741581734_357929176768059332_n

Champagne

Exact één jaar geleden liet ik nu een fles champagne knallen en dronk ik deze helemaal leeg. Allez, half, want we waren met twee. Daarna durfden we gedurende een uur en half niet meer naar buiten…

Een jaar geleden, net voor de kurk tegen het plafond vloog, klikte ik met mijn ogen toe op ‘publiceren’ en Verhaalgemaak ontstond. Nu, na 365 dagen met blote woorden op het www, ben ik nog altijd fier over deze gewaagde stap. Reden genoeg om nog een fles te kraken, vind ik dan.
Santé en dankjewel lieve lezers om al één jaar mijn blog te bezoeken.
Nog veel gluurplezier* !

(*want verhalen helpen je goed te kijken… lees je ook in het vertederende verhaaltje hieronder)

10301423_10203556978667364_8381544564338879967_n

 

Elke stap

“Kijk eens uit voor de mensen miljaar!” brult een vrouw.
De wind in het woud stopt met ruisen. Ik vraag me af waar vogels gaan schuilen wanneer het plots begint te onweren. Van op een kleine afstand zie ik hoe ze met haar ogen een bliksemschicht schiet. Haar kwade stappen doen de bosgrond daveren en de wolken trekken samen. De blik van de man enkele meters verder spreekt boekdelen. Zijn ogen staan wijd open gesperd. Adrenaline duwt tegen de wand van alle cellen die zijn lichaam telt. Zodra barst hij.

“Kom hier! Je slentert te ver voor me uit en je loopt in de weg”.
Waar hij enkele seconden eerder nog naar het kruin van de bomen stond te kijken, staat hij nu met voorover gebogen schouders en met zijn hoofd naar de grond gericht stil. Het lijkt alsof hij zich wil toeplooien. Hij staat zo geruisloos mogelijk. Zelfs de bomen zijn stil gaan staan. Hun sap stopt met stromen. De blaadjes van de bomen zuigen nu niets meer. Het water uit de bodem zal de komende uren niet in de bladeren verdampen. De boom zal niet verder groeien tot de hoogste lengte die bomen kunnen bereiken, 130 meter hoog. Fotosynthese, nul. Haar gebrul heeft de twijgjes van het bladerdak gebroken en de lijvige takken wenken nu slechts wanhopig de zon in plaats van er zelf naar toe te groeien.

“Altijd hetzelfde. Ik moet mij altijd kwaad maken. Ik zou u beter aan een ketting leggen”. Het woord ketting haalt mij helemaal uit mijn looptrance. Wanneer ik ga lopen, mag ik afwijken. Dan loop ik door het bos in plaats van op de paden. In alle vrijheid lukt het me altijd het best.

Nog 10 meter. “Dit is de laatste keer. Ik kom niet meer buiten met u. En ge komt bij mij ook niet meer binnen. Zoek uw eigen plaats maar om te pissen!”. Verwijten en commando’s echoën over de boomtoppen heen. Elke stap is er één verder van de gevarenzone af. Ik zie hoe de man enkele meters verder zijn schouders recht en haar na deze stollende seconden durft aan te kijken. Zouden ze samen sterker zijn dan alleen? Hij schudt zijn hoofd en hapt naar adem. Het lijkt alsof hij iets wil gaan zeggen.

“Sshhht! En kom hier zeg ik u”. De man zet enkele passen in de richting van haar temperament. “Waarom?”, stamelt hij. “Zit!”, roept zij. Dit gaat wel erg ver, denk ik. Tot ik hen eindelijk voorbij loop. Een beetje afstand geeft wel vaker perspectief op de zaak. Ik zie hoe de vrouw verschiet van de mannenstem. Hoe ze elkaar niet kennen. Hoe de man perplex staat. Ik zie hoe een border collie van tussen de struiken opduikt. Hoe iedereen plots alles begrijpt en hoe het bos terug herademt.

 

Driekwart saucisse

Instinct kan je niet fnuiken. Ik wacht niet meer tot het groen wordt om over te steken. Ik ben niet volgzaam. Ik beweeg me op het randje van arrogant en assertief. Ik wacht niet tot ik kan betalen in tavernes, ik zég dat ik ga betalen. Ik heb bepaalde responsen op stimuli ontwikkeld en ze zijn inmiddels mijn vastgelegd gedragspatroon. Al van jongs af aan dwaal ik door deze stad, wil ik haar begrijpen en ga ik mijn eigen gang door de eigenzinnige straten. Brussel heeft mij reflexen gegeven, Brussel heeft mij ‘gemaakt’. Mijn instinct doet me ronddolen en observeren – staren zelfs –. Het breekt schaamteloos los te midden van de vrijheid in de chaos van Brussel. En die chaos zit vol rake no-nonsense. Ik bedenk dat we bij gesprekken tegen elkaar kunnen wrijven met onze kern. Mijn primitieve, dierlijke vorm van intuïtie resulteert in gluren, mijn mond voorbij vragen en ten slotte mijn buit neerpennen.

Overal in Brussel liggen schatten voor het rapen. Ook in de stations. Hoe weerzien en afscheid er kunnen uitzien… Hoe de zucht van de laatste trein naar huis klinkt, of die van de trein naar zonde. Te midden het niemandsland en de duizenden schimmen van andere levens, ligt voor iemand een zekerheid, een eigen plek op een vaste route naar huis. De man met zijn jasje van ‘de post’ wacht steeds aan dezelfde paal op perron vier in het Centraal station om 22.39u. Aan de paal links van het winkeltje met hotdogs onderaan de grote trap, scheiden elke dag om 8.47u de wegen van twee anonieme geliefden. Hij vertrekt er steeds via de grote trap om langs de hoofdingang en langs de levendige Grasmarkt de stad in te trekken op weg naar zijn werk. Zij duikt ondergronds met de metro. Pas aan die paal laten ze elkaars handen los. Enkele seconden later kijkt zij nog even om – en hij weet dat.

‘Alors on danse’, schreeuwt de metromuil van Hallepoort. Niet Stromae maar een jonge man met één kruk en een gebroken poot strompelt de trap af en ik struikel bijna over zijn heerlijke zelfspot en positivisme.

Natuurlijk is Brussel niet altijd een verzameling van vertederende kleine verhalen. De stad heeft ook een onafwendbare lelijkheid. Mensen van buiten Brussel noemen haar wel eens een groot onpersoonlijk vuil gedrocht. En het zou er ‘gevaarlijk zijn, met al die verschillende culturen bij elkaar. Al die buitenlanders. Al die werklozen, daklozen en troostelozen. Met al die straatintimidatie en al die sociale tijdbommen’. Het onderwijs is er niet evident. De werking van de verschillende gemeentes ook niet. Stad Brussel evenmin. Niets werkt er. Alles staat er in de file. Aanslepende politieke dossiers en bouwvergunningen incluis. De trottoirs liggen vol losgeslagen zwerfvuil wist iemand me onlangs te vertellen toen hij hoorde dat ik in Brussel woon. Hij vroeg zich eveneens af of ik een hondenleven leid in één van de opeengepakte koterijen of in een bouwvallige huis. Allez! Brussel is evenzeer verval als bloei. Oké, je kan er verdriet lezen in de straten. Pleinen liggen er triest bij of worden plat gereden door pendelverkeer. Maar we picknicken er tegenwoordig. En zeker, straten langs het kanaal verdienen bomen en bloemekes, maar actieve burgers steken zelf de handen uit de mouwen van hun werkkledij tegenwoordig. De steegjes in braakliggend Brussel kronkelen zich krom en oud. Onlogisch, onzijdig en om bij te huilen. Onverwachts. Eigenzinnig.
En om van te houden.

Het is een slordige metropool met een groter dan gemiddeld percentage nachtbrakers en slapeloze stedelingen. Maar tolerant. Een anonieme stad vol typetjes en karakterkoppen, vol lichamen die hun plek zoeken. Brussel heeft charme, is een vuile underdog en wordt onderschat. En ja, ik krijg er soms eelt van in mijn hoofd. Ik maak me geen illusies over haar lieflijkheid. Maar het zit in mijn instinct om de schoonheid van onze verfrommelde stad met neergepende gewaarwordingen van al mijn zintuigen te verdedigen.

Brussel is een stad met een smoel. Vol rauws. “Iedereen is geserveerd, dan ga ik een sigaret roken”, roept de uitbaatster van een brasserie. “Dan mogen we vanaf nu self-service doen”, grapt één van de cafégangers behoorlijk beschonken. Hij draait de tapkraan 180 graden om tot over de toog en houdt er zijn mond onder. Een andere klant neemt van op de floeren zitbank aan de overkant van de toog zijn fototoestel in zijn knokkelige handen. ‘”Neen, neem geen foto van mij. Want ik weet al wat je daarmee gaat doen. Je gaat die inkaderen en vogelpik spelen met mijn hoofd”, roept de man vanuit zijn filmische houding. De vrouw aan zijn zij met voor haar een 33cl. pils, probeert zich in het gebeuren te mengen, maar niemand reageert. Ze kijkt haar man even aan, op zoek naar enige blijk van aandacht, maar kijkt al even snel gegeneerd weg. Iedereen heeft het recht om gehoord te worden, denk ik. Ik staar naar het roze plafond en laat het geluid van de flipperkast achteraan in het café over me heen razen, vermengd met het gejoel van de voetbalmatch van RSCA op de flatscreen die aan het plafond bengelt en het amalgaam van Frans en Nederlands in de cafépraat van de mannen met te rode koppen aan de toog. De uitbaatster trekt nog een laatste keer van haar sigaret en wandelt haar volwassen speeltuin terug binnen.

“Neen je mag niet tot bij mij komen, je mag niet springen”, zegt iemand zacht. Op haar bord ligt een boerenworst met wortelstoemp. Toch springt de bastaard tot net boven de houten tafel in de bruine brasserie. Duizenden geuren dringen zijn opengesperde neusgaten binnen. Hij hoort slechts geluiden, de toon en de kleur van haar stem. Ze praat zo zacht, dat hij haar lief vindt. Ze praat zo zacht, moe van te willen slapen en van het leven voorbij te laten tikken. De manier waarop ze aan haar man die voor zich uit staart, vraagt of hij tevreden is met het warme middagmaal dat hij uitgekozen heeft, verraadt haar goede hart. Het lijkt of ze zich bij haar leven heeft neergelegd. Ik wilde haar naar een ander leven flitsen, naar een andere Brusselse kroeg aan een ander tafeltje naast een andere kompaan. Ik nip van mijn koffie en zie nog net hoe de hond er zo laag mogelijk tegen de grond en met zijn staart tussen zijn poten vandoor snelt met driekwart saucisse in zijn muil. Instinct kan je niet fnuiken.

Op een middag in kaaswinkel Catherine, Zuidstraat 23,bestelt een meneer een ‘mi kilo de fromage’. De vrouw achter de comptoir verstond duidelijk iets anders: “Huit kilo de fromage?”, roept ze verbaasd uit. “Non non, seulement un d’mi kilo!”, roept de man terug en iedereen in de wachtrij – die er telkens is – schiet in de lach.

Iedereen is slechts een aanzet. Ik geloof in de maakbaarheid van bijna alles: ik ga koppig prat op de mogelijkheid uit het risico halen. Op dat vlak is Brussel een dagelijkse schat. Niets moet voor altijd zijn. Ook al verhuis ik ooit nog naar een andere plek, het gaat om de dingen die we hier zien gebeuren elke dag. Om het feit dat ze gebeuren. Die rake no-nonsense. En het gaat er om, door de eigenzinnige straten van deze stad met een smoel, onze eigen gang te vinden. Instinct kan je niet fnuiken.

2686_1444129072480_dFvUO33ATZ_logo.jpeg

Altijd een boeket

Iedereen is hier altijd thuis.
Of is iedereen altijd vertrokken?
Alleen de postbode van de Reizigersstraat weet het. Hij kent de gezichten op de foto’s in de woonkamer
en hij weet wie de bloemen water geeft.
Binnen kunnen ze woekeren, maar waaien lukt niet. Ze hebben nooit de buitenlucht in Borgerhout gevoeld.
Groeien er zelfs in de woestijn bloemen?
De man met de djellaba in de Zegelstraat weet het.
In de Appelstraat staat er een kamerplant op straat.
Hij komt uit de winkel Van Alles: waar ze vanalles verkopen. Hij is zo groot als een appelboom.
Ting. Op nummer 17 wonen Eveline en Nele en Nele en Eveline.
Blijven zij dan altijd 17, en is onze leeftijd ons huis?
Ja, in oude huizen wonen oude mensen.
Hier kruipt de natuur vanonder het beton uit.
Eten die planten de huizen dan op?
Ja, maar de nagels die de stenen bijeen houden spuwen ze uit.
Heeft de natuur ook nagels?
Misschien. Als planten handen hadden zouden ze ons dan ook water geven?
Wie weet.
De zaadjes in onze buiken, hebben die ook water nodig?
Daar komen toch ook mooie bloemen uit?
Een liefdebloem.
En wat is dan een doorkliefde bloem?
1 bloem is altijd een boeket van halve bloemen.

14159835_10153703778532102_1393917571_n

(stadsnatuurwandeling tesamen met Ann Dupont tijdens de cursus Schrijven van ’t Werkhuys – Borgerhout)
Blog Ann : http://lezennietlezen.blogspot.be , lezen !

Roulette

Shit. Hij zoekt mijn ogen, hij gaat iets vragen. Er staan groeven in zijn gezicht en hij houdt een halve liter bier in zijn rechterhand. Er ontstaan rimpels op mijn gezicht en in mijn rechterhand houd ik een groene sleutelhanger in de vorm van een vogel waaraan mijn fietssleutel bengelt.

“Spreekt ge een beetje Frans?” vraagt een kerel me op de Vlaamse Steenweg. Dubbele shit. Hoe vaak heb ik deze vraag al niet gekregen en ben ik na mijn eerlijke antwoord overvallen geweest. Letterlijk, zonder pistool ofzo, maar ik was geld kwijt voor ik het wist. En figuurlijk, door een grote schaamte. Ik kan altijd wel een euro of twee drie missen… De gedachte dat ik in de winkel niet zelden een kwartier voor een rek sta te twijfelen tussen het kussenzacht toiletpapier van Scottex dat bestaat uit zes laagjes of een goedkoper merk met twee laagjes, schiet door mijn hoofd. Ik voel de twee laagjes zelfs even schuren…

Op andere momenten wanneer mijn eeuwige twijfel lijkt te slapen, bestel ik glazen en flessen à volonté en denk ik op den duur niet meer na. Voor hulp aan de overstroomde gebieden in Bosnië wil ik ook wel geld bijdragen. Omdat een goede vriendin van me, Azra, van daar afkomstig is. Maar de sukkelaar op de stoep wandel ik voorbij. Voorbij wandelen, vluchten van een overdosis verdriet die niet voorbij gaat. Geld uitgeven dat is een spelleke Roulette.

De stilte die tussen ons in hangt dringt tot mij door. Te laat en te stil antwoord ik ‘oui’. Dan pas zie ik hoe vriendelijk zijn ogen staan. Hemelsblauw zijn ze. ‘Helblauw’ heb ik als verwoording daarentegen nooit verstaan. Het is daar toch donker en rood, in de hel? Hij vraagt of hij me iets mag leren en wenkt me naar mijn fiets. Nogmaals shit. Ik betrap mijzelf op mijn bekakte vooroordeel en stap dichterbij.

Hij tikt met zijn rechterhand op zijn borst, net boven zijn hart. Ik wacht op wat er gaat volgen. ‘Cyclo’, lees ik op de plek waar hij zijn hand liet rusten. “Als je je fiets op slot doet, hang je best je slot rond het kader van de fiets én ook nog extra rond je achterwiel. Zo wordt het niet gepikt”. “Dju ja” ontsnapt me. Het is één van de lessen die mijn vader mij keer op keer meegaf wanneer we gingen fietsen door de velden van het Pajottenland, zelfs wanneer ik het correct deed. Ik had het hem dit keer ook wel horen zeggen – een echo uit mijn jeugd – maar ik had het niet gedaan, uit luiheid.

“Luiheid, dat betalen we soms heel duur”, zegt de kerel van Cyclo en hij knipoogt. “En waarom hoort het slot rond het achterwiel en niet rond het voorwiel, die wielen zijn toch hetzelfde?”, vraag ik nog voor de volledigheid. “De wielen lijken inderdaad wel op elkaar”, lacht hij, “maar aan je achterwiel hangen je vitessen. Dat wiel is veel meer waard”. “Dju ja”, ontsnapt me en ik hoor “voorzichtig voor uw derailleur, Jill, dat is veel waard!” echoën uit mijn herinneringen. Ik geef hem een hand, kijk even of er nu kettingsmeer op mijn hand plakt of niet en verplaats mijn slot naar een plek tussen de baar op straat, het kader en het achterwiel. “Goede avond nog. Bon weekend aussi. Bonne vie en fait” roept hij vrolijk uit en we vervolgen elk onze eigen weg.

“Shit”, zeg ik tegen de vriendin met wie ik al van het Vossenplein onderweg ben om een garnaalkroket te gaan eten, “ik dacht eerst dat hij geld wilde en…”. “En hij heeft eigenlijk gewoon een week heel hard gewerkt en hij had dorst”, vult ze me feilloos aan. We lopen zwijgend verder over de kasseien van de Vlaamse Steenweg. Ik wil haar iets zeggen over hoe zij wel tien minuten eerder enkele munten in een kartonnen koffiebeker had geworpen van een lichaam op de stoep en iets over mijn bekakte vooroordeel, ik voel het zelfs een beetje schuren… Maar we lopen zwijgend verder.

We bestellen onze garnaalkroket au Laboreur. We bestellen glazen en flessen, discussiëren over Brusselse, Vlaamse, Federale en Europese politiek en denken op den duur niet meer na. Al een chance dat mijn fiets er nog staat wanneer we beslissen terug naar huis te keren, met zijn twee wielen die op elkaar lijken en met het zadel dat… nouja… een beetje schuurt.

oogst