Kortstondig

Kortverhaal
(opdracht schrijfdagen in ’t Werkhuys, Borgerhout)

Roomservice

Lang. Ik heb zo lang naar iets zitten kijken dat ik er de woorden voor vond. Leven. Wanneer ik zou moeten samenvatten wat ik zie, zou ik het woord ‘leven’ uitkiezen. Buiten, achter dit raam speelt zich een ander leven af. Leven. Daarom ben ik hier binnengedrongen, in deze hotelkamer die niet de mijne is.

De deur had op een kier gestaan. Ik had gehoord hoe het kamermeisje de kussens had opgeschud en de plaid over het bed had gegooid. Ik weet dat dat het laatste is wat ze doet in een kamer. Dat ze dan de lakens van de voorbije nacht op het karretje werpt dat in de gang staat. En dat ze naar de volgende van de 500 kamers trekt. Dat had ik al een paar keer gezien vanuit de lift, waar ik me schuil hield. Telkens wanneer andere gasten de lift betraden, vroeg ik of ze ook naar de receptie wilden. Zo leek het alsof ik er hoorde, alsof ik de lift gebruikte net zoals anderen de lift gebruiken.
Wanneer ze de lift verlieten, drukte ik keer op keer terug op nummer 3 en zo snel mogelijk op het knopje met de twee pijltjes naar binnen gericht die aanduiden dat de deur zal sluiten. Terug op de derde verdieping aangekomen, plaatste ik mijn voet voor de sensor zodat de schuifdeur open zou blijven staan en ik de gang in kon spieden.

Met een zachte plof belanden de lakens van kamer 308 op het karretje. Ik stap kordaat de lift uit en begeef me naar kamer 308. Wanneer ik het kamermeisje in het deurportiek zie verschijnen, schraap ik mijn stem. “Wat een timing”, probeer ik zo luchtig mogelijk. “Dan kan ik nu een lekkere douche nemen met een vers gewassen handdoek, dankjewel”. “Oh,” reageert ze verrast. “Geen probleem, fijn verblijf mevrouw. Oja, ik heb een nieuwe kom water klaargezet en een nieuw douchezeepje klaargelegd voor u”. “Bedankt”, zeg ik terwijl ik mijn jas uitschud en met bezwete, trillende handen de klink van haar overneem om de deur verder open te duwen. Mijn jas uitdoen, dat zou vast geloofwaardig overkomen, dacht ik. De meid zou het gevoel krijgen dat ik nog voor het betreden van hotelkamer 308 reeds wist waar ik mijn jas zou neergooien. En dat ik wist welke geur het douchezeepje had.

In werkelijkheid wist ik niet eens waar ik aan begon. Ik had alleen goed geredeneerd, als een detective. Geanticipeerd als een sluipschutter. Met niets te verliezen, als iemand op de vlucht in een vreemd land. Een kamermeisje betreedt nooit een kamer wanneer de gasten er nog zijn. De kamer die ik zou veroveren zou leeg zijn. Ik zou er andere kleren aantrekken. Ik zou haar foto nog eens durven bekijken. Ik zou er huilen als een wolf die haar meute verloren was in haar thuisland.

Ik gooi de deur in het slot en wandel de ruimte binnen. Ik hoor een ademhaling. Ik onderdruk een gil wanneer er plots een hond voor me staat. Dieren ruiken angst, weet ik. Ik begin te praten met een zachte stem en klap met mijn handen op mijn bovenbenen. De hond begint te kwispelen. Ik laat mezelf opgelucht neervallen in de zetel naast een tafeltje aan het raam. Ik speur de kamer rond terwijl de hond mijn broek besnuffelt. Een uitpuilende valies ligt op de grond naast het bed. Een naaldhak steekt vervaarlijk scherp de lucht in. Hier lijkt een vrouw te verblijven. Handig, mannenkleren zouden me iets minder goed staan. Een boek ligt onder de opgeschudde kussens op het bed. Een blauwe tandenborstel staat in een bekertje naast de lavabo in de badkamer. Een rode kanten onderbroek en een weelderige beha met assorti rode franjes liggen op het nachtkastje naast een leeg Martiniglas. De hond heeft bruine en zwarte vlekken. Hij lijkt blij met mijn gezelschap. Een ander leven. Daarom ben ik hier binnengedrongen, in deze hotelkamer die niet de mijne is. Ik wilde voelen hoe het is om een leven te hebben. Een reden om een hotelkamer te boeken. Een paspoort met een foto waar ik mezelf nog in kan herkennen. Een hart dat mag liefhebben buiten alle regels om. Zekerheden. Gewoonten. En een hond past eigenlijk ook wel in dit rijtje… maar wat moet ik nu? Wanneer komt de vrouw van de ronde kanten onderbroek en met de weelderige boezem thuis?

“Ik ben Louise”, zeg ik vriendelijk en ik steek mijn hand uit. De hond, die ik besloot Louis te noemen, lijkt het gewoon te zijn nieuwe mensen te ontvangen op zijn territorium. Hij legt zich neer bij de nieuwe situatie, op de pluizige bank voor het bed. Hij maakt zichzelf zo lang mogelijk tussen het topje van zijn staart en het puntje van zijn neus. “Jaja… Hoe groter ik ben, hoe meer eten ik krijg”, denk ik in zijn plaats en ik streel het beest over zijn snuit. Ik vis een zwart rokje en een witte blouse uit de valies. Eindelijk heb ik andere kleren aan. Als een andere vrouw wandel ik naar het grote raam. Hoeveel tijd er voorbij gaat, weet ik niet. Lang. Ik sta zo lang naar iets te kijken dat ik er de woorden voor vind. Leven. Wanneer ik zou moeten samenvatten wat ik zie, zou ik het woord ‘leven’ uitkiezen. Buiten, achter dit raam speelt zich leven af.

Ik zoek de horizon af naar het Atomium. Dit heb ik eens in een magazine zien staan onder ‘belangrijke bezienswaardigheden in Brussel’. Manneke Pis stond ook in het lijstje, al weet ik echt niet wat ik mij hierbij moet voorstellen en of dit monument eveneens zou reiken tot de horizon van deze stad. Een vrouw op hakken loopt haaks over de kasseien straat waarop het hotel gelegen is. Ze strekt amper haar knieën uit bij het wandelen. Ze houdt een glas in haar handen. Waar zou zij naartoe gaan, vraag ik me af. En waarom heeft ze een glas bij? De zon gaat onder. Ik denk aan de liefde en aan mijn geliefde ondenkbaar ver. Zou ze durven breken met haar familie? Zou ze me ooit achterna komen en me zoeken? Ik hoop dat ik hier de nacht kan doorbrengen. Morgen begint mijn nieuwe leven. Louis ronkt en kijkt me met puppy-ogen aan. Ik moet maar eens zoeken waar de weelderige boezem de hondenbrokken heeft opgeborgen. Ik blijf nog staan tot alle kleuren uit de lucht zijn weggetrokken.

Een felle bonk en gemorrel in het slot halen me uit mijn gemijmer. Er volgt gegiechel. “Hero, hero ! Hier ben ik oh my hero”. Zwalpend betreedt een schim kamer 308. Ze houdt een glas in haar hand. “Oh my God, Hero. Wat een dag. Dit werk weegt zo op me. Hoe kan ik nu beslissen over het lot van die mensen? Iedereen heeft toch het recht om ergens te wonen zonder constante dreiging. Ik zou ze zo binnen smokkelen in mijn hotel en hier laten wonen. Voor altijd. Dan ben ik net zo’n ‘hero’ als jij. Ach, ik ben wat licht in mijn hoofd. En per ongeluk heb ik een glas meegenomen uit een bar in het Noordstation. Hero, schenk mij nog eens een Martini in, want wat een dag”, zegt ze met een Russische tongval. De schim ploft neer in de zetel waar ik mij enkele uren geleden in heb laten glijden. Ik sta aan de grond genageld en adem zo stil mogelijk. Ik denk na over wat ik kan zeggen. Een openingszin vinden is altijd moeilijk, maar dit overtreft alles.

Wat zou een detective doen? En ik wil niet klinken als een dievege. “Ik heb ook al eens een glas meegenomen uit een bar. En maak daar maar twee Martini’s van, Hero”, zeg ik. Mijn stem rilt. Ik ben een indringer. Ik ben een wolf. Ik ben iemands’ lief in mijn verre thuisland.
De volgorde van de volgende gebeurtenissen ontgaat me volledig. In een flits knipt de schim het licht aan, heb ik mijn Martini gekregen – recht in mijn gezicht weliswaar –, gilt iemand oorverdovend tot ze naar adem hapt en haar ogen opent. Haar handen houdt ze omhoog als klauwen. Een tijgerin staat voor me.

Ik ontwar een vrouw met een glanzend zwarte coupe carré en met lichte sproeten op haar wangen.” Ik ben Louise”, zeg ik vriendelijk en ik steek mijn hand uit. “Uw deur stond op een kier en …”. “Ahja, dat kan”, zegt de vrouw. Ze haalt haar klauwen naar beneden, trekt haar nagels in en vouwt haar handen samen. “Ik word onrustig wanneer ik alleen in een hotel verblijf. Vandaar mijn hond, mijn held. Hetzelfde onrustige gevoel overvalt me wanneer mensen buiten gaan roken. Dan zet ik ook altijd de deur op een kier om toch nog een beetje bij hen te zijn”. Ze neemt mijn uitgestoken hand aan en stelt zichzelf voor als Ines. Mijn lichaam deinst mee op een immense zucht van opluchting. “Ik ben door de kier naar binnen gekomen om me even op te frissen”, vervolg ik, “en om…”. Hier val ik stil. “Om”, vraagt ze?

“Om de volgende dag in propere kleren een nieuw leven te beginnen. Ik ben mijn thuisland ontvlucht. Vraag me niet hoe. Vraag me nog niet hoe”. Ik ben mijn land ontvlucht wegens een relatie met een vrouw. Ik denk nog vaak aan de liefde”. Mijn stem wordt schor. “Ik hoop dat ik hier de nacht kan doorbrengen”, zeg ik. “Op de pluizige bank bijvoorbeeld. Naast Hero”.“Zal ik hem trouwens wat te eten geven?”. “Haha. Dat is goed. Het eten zit in een oranje zak in mijn valies. Ik zie dat je die al gevonden hebt trouwens. Mijn rokje en mijn blouse staan jou trouwens beeldig”, zegt ze met een knipoog. Ik bedenk me dat ik chance heb dat de bar in het Noordstation Martini op de kaart aanbood en dat Ines sympathiek en los wordt wanneer ze een glaasje teveel op heeft.

“Kijk, wat jouw verhaal ook is… Misschien kan ik jou wel helpen. Mijn terugvlucht is pas over een een week. Ik ben advocate. Vandaag nog moest ik bij de Federale Overheidsdienst voor Vluchtelingen en Staatslozen als experte tussenkomen bij het verhaal van enkele mensen uit Oekraïne. Ikzelf kom ook uit dat land. Maar jouw nieuwe leven zou morgen beginnen, juist? We praten morgen verder. En ik drink altijd Martini in de zomer, om de dag mee te eindigen, want wat een dagen…”.

“Hallo roomservice, twee Martini’s alstublieft”. Met haar hand op de onderkant van de hoorn fluistert ze nog naar me “Bianco of Rosato?”.

Advertenties

Wil je iets zeggen na het lezen van deze tekst?

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s