Zoekzucht

citizennekaart_volledig_lr-page-0

 

*gedicht in opdracht van mijn favoriete organisatie in Brussel, Citizenne, die graag een nieuwjaarswens wilde schenken aan haar publiek. Illustratie van huistekenaar Stef Rymenants. Dankjewel voor deze mooie kans, vedettes van Citizenne!

Zoekzucht

dit is een wens voor mensen
in het zoeken zit het vinden
flaneren we daarom rond zuid centraal noord
wij zijn een kompas
in onze dagelijkse stad met streken
iedereen is een aanzet hier in dit oord

boven en beneden Brussel
wat een verleiding, ta tentation
mondiale grootstad met vele monden
laat ons spreken van jouw charme
in elk portaal
likken we hoopvol liefde jouw wonden

veelhoek met eigenzinnige kanten
verzameling sleutels van het moeras
city aan de Zenne
vedette
pupil van de irissen
waarmee wij beter kijken naar dit overgangsgebied tussen water en land

laat ons tegen elkaar wrijven met onze kern
in de straten rode draden maken
iedere aanzet is gelukt
in het zoeken zit het vinden
plekken om bij te huilen en om van te houden
om bij te blijven ademen na een zoekzucht

elk nieuw jaar is steeds een aanzet
belooft een betere versie van
witte vijvers om in te vissen
de zon slaat loodrecht op de middaglijn
ieder z’n zone op dit groot eiland
spektakel van markt tot coulissen

♥  jij bent aan zet

in onze schat met steegjes en spelonken
geef ze vonken
geef deze wens voor mensen:

hou liefde vol
hou Brussel vol
hou Brussel liefdevol

Advertenties

Iemand vraagt waarom

Kunnen jullie het, leven?

Er waren eens mensen
en zij probeerden het zo:

“Het was vandaag een goede dag,” zegt iemand, “want het had erger gekund.” “Ja”, zegt nog iemand. “Zonder man voel ik mij geen vrouw”, zegt iemand anders.“Hah.. dan ben je jezelf nog niet tegen gekomen”, zegt nog iemand anders.

“Ik was u kwijt.” “Ik u niet.”

Een vrouw met kroezelhaar wordt wakker en vraagt “wat heb jij net gezegd?” “Snot.” Hij herhaalt dat van dat snot. Zij kuist dat snot af. Hij kijkt haar aan. Zij kijkt weg. Hij blijft haar aankijken. Hij begint te fluiten. En zelfs al fluitend blijft hij haar aankijken. Net daarvoor had hij tegen een slapende vrouw gezegd dat haar kind met kroezelhaar snot had hangen. Al fluitend blijft hij haar aankijken.

Er stokt iets in mij en die stok die schraapt mijn slokdarm. Deze tram, deze stad vol allene mensen grijpt mij vanbinnenuit naar de keel.

Een vrouw gekleed in gekleurde gewaden zit te dicht bij. Het heeft niets met haar te maken. En ik vind de kleuren die ze draagt wel mooi. Ze zit enkel te dicht bij. Te weinig ruimte. Te dichtbij. Zoals bij een prille verliefdheid, dat je denkt: “Wo, dat komt nu toch wel echt dichtbij.” Een jongeman met zijn haar in een kuif naar rechts gestreken, draait zijn hoofd naar links. Een man met een leren lege aktetas zegt dat hij vandaag de neiging heeft om achterover te vallen. Hij zegt het zomaar luidop in tram 12 – traject Sportpaleis tot aan ’t Zuid.

“Zijt gij aan het liegen? Gij zijt aan het liegen. Weet ge, mij moet ge niks wijsmaken. Dat ik die hele kamer met javel moet kuisen … zal het gaan!? Gij zijt niet normaal. Gij wilt gewoon echt problemen veroorzaken”, zegt een vrouw in haar mobiele telefoon. Ergens is er dus een zwart schaap. En ergens staat er een bus javel – onaangeroerd.

Een Spaanse toeriste die gisteren klaarblijkelijk Brugge bezocht, zegt dat ze alleen zegt wat ze denkt. Dat moet dan veel zijn, denk ik, maar zeg het niet. Een vrouw met een boek op haar schoot stopt niet met praten. Het boek zucht. Sommige gesprekken zouden moeten gewist kunnen worden. Anderen dan weer bewaard.

Een jonge vrouw vertelt dat ze in een Worddocument het woord ‘thuisvoelen’ schreef. En dat ze het volgens de spellingchecker verkeerd geschreven had. Het zouden twee aparte woorden moeten zijn. Maar zij vindt thuisvoelen veel mooier aan elkaar geschreven. Ik ook.

De tram kreunt en komt tot stilstand. Twee blinde mannen stappen uit, tikken met hun stok tegen de straat, wensen elkaar goed thuis, wandelen parallel naar huis. Iemand zegt: “Ik zal haar zeggen dat ik het vergeten ben.” Ze legt af. Ze belt iemand op. “Ik bel je om te zeggen dat ik het vergeten ben.”

Ik ben vergeten wat ze vertelden over jou. Ik weet alleen nog wat je met mij doet …

Een gladgeschoren dertiger belt naar huis, zegt “coucou” en dat hij later thuis zal zijn dan gepland. Iemand vraagt waarom.

De vrouw naast hem briest nerveus: “Blijf rustig. Ook al ben je bang, toon het niet aan je kat. Ja, oké, ze klom in die boom. Maar jij moet rustig blijven. Niet tonen aan je kat dat je bang bent. Dat zou projectie zijn. Ken je dat, projectie? … Ja, maar blijf nu toch rustig!”

Ik blijf rustig. Ik stap de tram uit en ben rustig. Ik loop het zebrapad over. Iemand heeft mij eens gezegd dat ik niet zo moet lopen. Dat ik ook kan wandelen. Klopt. Ik mag verlangzamen. Me thuisvoelen. Allebei in één woord geschreven.

Aan de tramhalte hoorde ik nog juist iemand zeggen dat ze van zodra ze kan, ze de ruimte zal gaan klaarzetten. Die zin had ik niet willen missen. De wonderen zijn de wereld nog niet uit. De wonderen zijn de wereld.

Het was vandaag een goede dag. Niet om van achterover te vallen, maar gewoon, goed.

En de ruimte … De ruimte staat al klaar.

Screenshot_1.jpg

*Met deze tekst won ik Naft voor woord 2016.

 

Deze tekst een week later in Het Appeltje tijdens het zeer fijne traject van Fameus – Tien op de schaal van Dichter – met beeld: FILMPJE

*ik kwam net van een heerlijk weekend in Parijs en was deze avond in Het Appeltje mijn oriëntatie, de kluts én mijn tekst kwijt. Ik vergat: “Een vrouw gekleed in gekleurde gewaden zit te dicht bij. Het heeft niets met haar te maken. En ik vind de kleuren die ze draagt wel mooi. Ze zit enkel te dicht bij. Te weinig ruimte. Te dichtbij. Zoals bij een prille verliefdheid, dat je denkt: “Wo, dat komt nu toch wel echt dichtbij.” Dankjewel Gust Peeters voor het beeldmateriaal!

*Een dankbaar hart voor dit hert:
This Is Hert maakte 2 liedjes gebaseerd op m’n stukje ‘Iemand vraagt waarom’ https://verhaalgemaak.wordpress.com/…/…/iemand-vraagt-waarom/ voor het project Entramie  — songs te beluisteren via beide fbpagina’s.

 

♪People Watching – Jack Johnson

Wijfjeshert

Leegte. Ik tast, ga tot op de naad, maar voel niets. Mijn haar waait weg in de wind. Ik draag al dagen dezelfde wollen bordeaux trui. De inhoud van mijn grote trekrugzak ligt uitgespreid op de stoep naast mijn voordeur. Mijn vijf paar onderbroeken – want vanaf vijf krijg je korting in de Hunkemöller – moffel ik gauw weg onder enkele minder verhullende kledingsstukken.

Na enkele dagen trekken langs Ardense bergen en dalen en gelijkvormige emoties, wil ik het liefst van al die ene deur in Brussel door. Waar een sticker van Bond Zonder Naam me ‘Weer of geen weer, altijd welkom’ heet. Desalniettemin, hier sta ik dan. Want ik vergat mijn sleutels. Bij mijn moeder die op enkele uren reizen op een Ardense heuvel woont. Dit vergeten draagt iets moois in zich. Alsof ik ergens diep vanbinnen na jaren van afstand en nadien van heropbouw opnieuw bij mijn moeder wil thuiskomen. Ooit heb ik reeds in haar gewoond.

Koortsachtig trek ik alle ritsen open die ik maar kan vinden. Van mijn rugzak dan toch. Ik tast opnieuw, ga tot op de naad en voel hoe een Maltezer aan mijn hand lekt. Ik heb honden al altijd empathische dieren gevonden. Het baasje van de Maltezer vraagt me wat er aan de hand is. Ik antwoord dat haar hond me daar net lekte. Nog voor ik kan opkijken of ze het woordspelletje begrepen heeft, hoor ik een gil. Ik zie hoe een fiets op enkele centimeters van de Maltezer halt houdt. Een man met een bordeaux muts waaronder zwarte krullen vandaan kruipen, vraagt me: “Ga jij op straat kamperen?” Een vraag uit de duizend. Het besef dat ik me gelukkig mag prijzen met mijn ‘weer of geen weer’ appartement kruipt luid bonkend onder mijn hoofdhuid. Ik leg hem uit dat ik mijn sleutels vergat en dat ik van plan ben om een slotenmaker op te bellen. Ik flap er ook nog uit dat dat klote is, want dat die mannen veel geld vragen voor twee minuutjes werk. En dat ik zou willen dat ik zelf sloten kon openbreken. De vrouw vindt het maar louche en zegt dat ze maar eens verder moest. Ik zie hoe ze in haar broekzak tast en haar sleutels aait.

“Ik kan je dat leren”, fluistert de bordeaux muts. “Ik kan je leren hoe je een slot openbreekt, als je wil”. In eerste instantie flitsen nodige overpeinzingen omtrent mijn goedgelovigheid door mijn hoofd. In tweede instantie denk ik aan de mogelijkheden en de magie die je kan vinden door uit je comfort zone te stappen, door het conventionele los te laten. Tevreden met de volgorde van deze gedachtegang, kijk ik de vreemde man aan. Ik zoek in zijn ogen naar vervreemding of vertrouwen. “Oké”, zeg ik en we schudden elkaar de hand. Zijn we nu partners in crime?

Ik haal er nog een partner bij, als buffer voor mijn eventuele goedgelovigheid. Ik bel aan bij de onderbuurvrouw vanop ‘het eerste’ en doe haar het verhaal in het portiek. “Als je snel fietst, haal je de Brico op de Charleroisesteenweg in Sint-Gilles nog voor sluitingstijd”, zegt ze. We schudden elkaar de hand. We zijn nu partners in crime.

“Tu t’appelles comment?”, vraag ik aan de man. “Je ne m’appelle pas, ce sont les autres qui m’appellent”, antwoordt hij cryptisch. ‘Prachtig”, denk ik. “Woon je in de buurt?”, probeer ik verder, om toch iets van mijn kompaan te weten te komen. “We moeten toch niet alles van elkaar weten vandaag”, antwoordt hij. Er klinkt een lichte spot in zijn stem. Hij merkt dat ik met vragen zit en dat ik zal blijven doorvragen tot hij iets lost over zichzelf. “Wie ben jij, dat weet ik toch ook niet? Dat vertel je mij misschien pas een volgende keer. Je moet niet ongerust zijn. Het is een bizarre situatie, maar ik ga morgen niet jullie appartement komen leegroven. Geloof je in synchroniciteit? Dan ben ik gewoon op het juiste moment langs gefietst. En heb ik ook op het juiste moment geremd voor die hond”, lacht hij. Het lijkt alsof hij mij overpeinzingen omtrent mijn goedgelovigheid heeft aangevoeld en hij pakte ze met humor aan. De onderbuurvrouw knipoogt en staat best goed met de schroevendraaiers die ze heeft bovengehaald voor straks.

We fietsen snel. Ik vraag hem – tot hij iets lost – of hij met deze interventie geen tijd verliest. “Tijd verliezen… is voor mij daarmee iets anders aan iemand aanbieden”. “Nog eens prachtig”, denk ik. Aangekomen in de Brico, lopen we naar de rayon met de sloten. Ik kies een nieuw exemplaar uit. Hij vraagt me hoe ik de klus wil klaren. Met een boor of met een ‘pied de biche’. Ik schiet in de lach. ‘Pied de biche’. ‘Voet van een wijfjeshert’. Ik vertel hem dat ik de klus zou klaren met een koevoet, ‘pied de vache’, waarop hij in de lach schiet. “Zo een grote voet heb je toch niet nodig…” “En nu wou ik jouw naam zeggen, maar die ken ik vandaag nog niet”. “Ik heet Jill”, zeg ik. “Aangenaam, ik heet Mohammed”. En we schudden elkaar nogmaals de hand.

“Hoe breek je weeral een slot open”, vraagt hij aan één van de winkelbedienden. De man legt gedetailleerd uit hoe je het best te werk gaat. Parate kennis, lijkt het. Ik probeer mijn verbazing te verstoppen en gedraag me als een volwaardige handlanger van Mohammed. Buiten pols ik even of hij nergens te laat komt door dit onverwachts moment van synchroniciteit. “Je ne suis jamais en retard pour moi”, zegt hij. Ik antwoord dat hij precies past op de laatste pagina d’un journal bij de kruiswoordraadsels. “Il y a differentes sortes de journaux. Journaux personnels, ‘dagboeken’ ou le journal basé sur l’actualité”. “Dagboeken zijn op een andere manier ook actualiteit”, speel ik hem de bal terug. We staan gelijk.

De voet van het wijfjeshert trapt mijn slot open. Ik installeer het nieuwe exemplaar op Mohammed’s aanwijzingen en vis toch nog een keer naar zijn achtergrond. “Ben je daar weer. Ja, waar liggen iemands wortels… die kunnen bij wijze van spreken in een ijsblokje hebben gezeten zonder verder te reiken. Of ze zijn kunnen groeien, alle richtingen uit”. “Je hebt een open geest”, zeg ik nog duizelend van zijn verreikende antwoord. “Un esprit ouvert. Hoe opent een geest zich? Heb jij biologie gestudeerd ofzo? Dat je weet hoe de geest als onderdeel van het lichaam zich opent zoals een deur of een slot?”, zegt hij dollend. Ik vraag hem of hij filosoof of poëet is. “Alles wat je niet meteen begrijpt, klasseer je dat dan onder filosofie op poëzie? Ik hou van woorden. En ik zal in mijn antwoorden aan jou en in alles wat ik doe op handen en voeten lopen in plaats van op mijn twee benen. Omdat wij onze hersenen continu moeten trainen om het conventionele los te laten”. Hij grijpt naar zijn portefeuille. “Kijk, aanhouder, je wint. Hier heb je mijn identiteitskaart. Zoek naar de wortels die je wil vinden”, glimlacht hij.

“En neen, want ik hoor het je denken: dit kost niets. Enkel een ‘goeie dag’ als ik u nog eens tegenkom. En een koffie. Tot dan”. We lachen en we schudden elkaar nog één keer de hand. Eindelijk thuis. Na een pak magie, gevonden vlak naast mijn comfort zone.

Elke stap

“Kijk eens uit voor de mensen miljaar!” brult een vrouw.
De wind in het woud stopt met ruisen. Ik vraag me af waar vogels gaan schuilen wanneer het plots begint te onweren. Van op een kleine afstand zie ik hoe ze met haar ogen een bliksemschicht schiet. Haar kwade stappen doen de bosgrond daveren en de wolken trekken samen. De blik van de man enkele meters verder spreekt boekdelen. Zijn ogen staan wijd open gesperd. Adrenaline duwt tegen de wand van alle cellen die zijn lichaam telt. Zodra barst hij.

“Kom hier! Je slentert te ver voor me uit en je loopt in de weg”.
Waar hij enkele seconden eerder nog naar het kruin van de bomen stond te kijken, staat hij nu met voorover gebogen schouders en met zijn hoofd naar de grond gericht stil. Het lijkt alsof hij zich wil toeplooien. Hij staat zo geruisloos mogelijk. Zelfs de bomen zijn stil gaan staan. Hun sap stopt met stromen. De blaadjes van de bomen zuigen nu niets meer. Het water uit de bodem zal de komende uren niet in de bladeren verdampen. De boom zal niet verder groeien tot de hoogste lengte die bomen kunnen bereiken, 130 meter hoog. Fotosynthese, nul. Haar gebrul heeft de twijgjes van het bladerdak gebroken en de lijvige takken wenken nu slechts wanhopig de zon in plaats van er zelf naar toe te groeien.

“Altijd hetzelfde. Ik moet mij altijd kwaad maken. Ik zou u beter aan een ketting leggen”. Het woord ketting haalt mij helemaal uit mijn looptrance. Wanneer ik ga lopen, mag ik afwijken. Dan loop ik door het bos in plaats van op de paden. In alle vrijheid lukt het me altijd het best.

Nog 10 meter. “Dit is de laatste keer. Ik kom niet meer buiten met u. En ge komt bij mij ook niet meer binnen. Zoek uw eigen plaats maar om te pissen!”. Verwijten en commando’s echoën over de boomtoppen heen. Elke stap is er één verder van de gevarenzone af. Ik zie hoe de man enkele meters verder zijn schouders recht en haar na deze stollende seconden durft aan te kijken. Zouden ze samen sterker zijn dan alleen? Hij schudt zijn hoofd en hapt naar adem. Het lijkt alsof hij iets wil gaan zeggen.

“Sshhht! En kom hier zeg ik u”. De man zet enkele passen in de richting van haar temperament. “Waarom?”, stamelt hij. “Zit!”, roept zij. Dit gaat wel erg ver, denk ik. Tot ik hen eindelijk voorbij loop. Een beetje afstand geeft wel vaker perspectief op de zaak. Ik zie hoe de vrouw verschiet van de mannenstem. Hoe ze elkaar niet kennen. Hoe de man perplex staat. Ik zie hoe een border collie van tussen de struiken opduikt. Hoe iedereen plots alles begrijpt en hoe het bos terug herademt.

 

Driekwart saucisse

Instinct kan je niet fnuiken. Ik wacht niet meer tot het groen wordt om over te steken. Ik ben niet volgzaam. Ik beweeg me op het randje van arrogant en assertief. Ik wacht niet tot ik kan betalen in tavernes, ik zég dat ik ga betalen. Ik heb bepaalde responsen op stimuli ontwikkeld en ze zijn inmiddels mijn vastgelegd gedragspatroon. Al van jongs af aan dwaal ik door deze stad, wil ik haar begrijpen en ga ik mijn eigen gang door de eigenzinnige straten. Brussel heeft mij reflexen gegeven, Brussel heeft mij ‘gemaakt’. Mijn instinct doet me ronddolen en observeren – staren zelfs –. Het breekt schaamteloos los te midden van de vrijheid in de chaos van Brussel. En die chaos zit vol rake no-nonsense. Ik bedenk dat we bij gesprekken tegen elkaar kunnen wrijven met onze kern. Mijn primitieve, dierlijke vorm van intuïtie resulteert in gluren, mijn mond voorbij vragen en ten slotte mijn buit neerpennen.

Overal in Brussel liggen schatten voor het rapen. Ook in de stations. Hoe weerzien en afscheid er kunnen uitzien… Hoe de zucht van de laatste trein naar huis klinkt, of die van de trein naar zonde. Te midden het niemandsland en de duizenden schimmen van andere levens, ligt voor iemand een zekerheid, een eigen plek op een vaste route naar huis. De man met zijn jasje van ‘de post’ wacht steeds aan dezelfde paal op perron vier in het Centraal station om 22.39u. Aan de paal links van het winkeltje met hotdogs onderaan de grote trap, scheiden elke dag om 8.47u de wegen van twee anonieme geliefden. Hij vertrekt er steeds via de grote trap om langs de hoofdingang en langs de levendige Grasmarkt de stad in te trekken op weg naar zijn werk. Zij duikt ondergronds met de metro. Pas aan die paal laten ze elkaars handen los. Enkele seconden later kijkt zij nog even om – en hij weet dat.

‘Alors on danse’, schreeuwt de metromuil van Hallepoort. Niet Stromae maar een jonge man met één kruk en een gebroken poot strompelt de trap af en ik struikel bijna over zijn heerlijke zelfspot en positivisme.

Natuurlijk is Brussel niet altijd een verzameling van vertederende kleine verhalen. De stad heeft ook een onafwendbare lelijkheid. Mensen van buiten Brussel noemen haar wel eens een groot onpersoonlijk vuil gedrocht. En het zou er ‘gevaarlijk zijn, met al die verschillende culturen bij elkaar. Al die buitenlanders. Al die werklozen, daklozen en troostelozen. Met al die straatintimidatie en al die sociale tijdbommen’. Het onderwijs is er niet evident. De werking van de verschillende gemeentes ook niet. Stad Brussel evenmin. Niets werkt er. Alles staat er in de file. Aanslepende politieke dossiers en bouwvergunningen incluis. De trottoirs liggen vol losgeslagen zwerfvuil wist iemand me onlangs te vertellen toen hij hoorde dat ik in Brussel woon. Hij vroeg zich eveneens af of ik een hondenleven leid in één van de opeengepakte koterijen of in een bouwvallige huis. Allez! Brussel is evenzeer verval als bloei. Oké, je kan er verdriet lezen in de straten. Pleinen liggen er triest bij of worden plat gereden door pendelverkeer. Maar we picknicken er tegenwoordig. En zeker, straten langs het kanaal verdienen bomen en bloemekes, maar actieve burgers steken zelf de handen uit de mouwen van hun werkkledij tegenwoordig. De steegjes in braakliggend Brussel kronkelen zich krom en oud. Onlogisch, onzijdig en om bij te huilen. Onverwachts. Eigenzinnig.
En om van te houden.

Het is een slordige metropool met een groter dan gemiddeld percentage nachtbrakers en slapeloze stedelingen. Maar tolerant. Een anonieme stad vol typetjes en karakterkoppen, vol lichamen die hun plek zoeken. Brussel heeft charme, is een vuile underdog en wordt onderschat. En ja, ik krijg er soms eelt van in mijn hoofd. Ik maak me geen illusies over haar lieflijkheid. Maar het zit in mijn instinct om de schoonheid van onze verfrommelde stad met neergepende gewaarwordingen van al mijn zintuigen te verdedigen.

Brussel is een stad met een smoel. Vol rauws. “Iedereen is geserveerd, dan ga ik een sigaret roken”, roept de uitbaatster van een brasserie. “Dan mogen we vanaf nu self-service doen”, grapt één van de cafégangers behoorlijk beschonken. Hij draait de tapkraan 180 graden om tot over de toog en houdt er zijn mond onder. Een andere klant neemt van op de floeren zitbank aan de overkant van de toog zijn fototoestel in zijn knokkelige handen. ‘”Neen, neem geen foto van mij. Want ik weet al wat je daarmee gaat doen. Je gaat die inkaderen en vogelpik spelen met mijn hoofd”, roept de man vanuit zijn filmische houding. De vrouw aan zijn zij met voor haar een 33cl. pils, probeert zich in het gebeuren te mengen, maar niemand reageert. Ze kijkt haar man even aan, op zoek naar enige blijk van aandacht, maar kijkt al even snel gegeneerd weg. Iedereen heeft het recht om gehoord te worden, denk ik. Ik staar naar het roze plafond en laat het geluid van de flipperkast achteraan in het café over me heen razen, vermengd met het gejoel van de voetbalmatch van RSCA op de flatscreen die aan het plafond bengelt en het amalgaam van Frans en Nederlands in de cafépraat van de mannen met te rode koppen aan de toog. De uitbaatster trekt nog een laatste keer van haar sigaret en wandelt haar volwassen speeltuin terug binnen.

“Neen je mag niet tot bij mij komen, je mag niet springen”, zegt iemand zacht. Op haar bord ligt een boerenworst met wortelstoemp. Toch springt de bastaard tot net boven de houten tafel in de bruine brasserie. Duizenden geuren dringen zijn opengesperde neusgaten binnen. Hij hoort slechts geluiden, de toon en de kleur van haar stem. Ze praat zo zacht, dat hij haar lief vindt. Ze praat zo zacht, moe van te willen slapen en van het leven voorbij te laten tikken. De manier waarop ze aan haar man die voor zich uit staart, vraagt of hij tevreden is met het warme middagmaal dat hij uitgekozen heeft, verraadt haar goede hart. Het lijkt of ze zich bij haar leven heeft neergelegd. Ik wilde haar naar een ander leven flitsen, naar een andere Brusselse kroeg aan een ander tafeltje naast een andere kompaan. Ik nip van mijn koffie en zie nog net hoe de hond er zo laag mogelijk tegen de grond en met zijn staart tussen zijn poten vandoor snelt met driekwart saucisse in zijn muil. Instinct kan je niet fnuiken.

Op een middag in kaaswinkel Catherine, Zuidstraat 23,bestelt een meneer een ‘mi kilo de fromage’. De vrouw achter de comptoir verstond duidelijk iets anders: “Huit kilo de fromage?”, roept ze verbaasd uit. “Non non, seulement un d’mi kilo!”, roept de man terug en iedereen in de wachtrij – die er telkens is – schiet in de lach.

Iedereen is slechts een aanzet. Ik geloof in de maakbaarheid van bijna alles: ik ga koppig prat op de mogelijkheid uit het risico halen. Op dat vlak is Brussel een dagelijkse schat. Niets moet voor altijd zijn. Ook al verhuis ik ooit nog naar een andere plek, het gaat om de dingen die we hier zien gebeuren elke dag. Om het feit dat ze gebeuren. Die rake no-nonsense. En het gaat er om, door de eigenzinnige straten van deze stad met een smoel, onze eigen gang te vinden. Instinct kan je niet fnuiken.

2686_1444129072480_dFvUO33ATZ_logo.jpeg

Roulette

Shit. Hij zoekt mijn ogen, hij gaat iets vragen. Er staan groeven in zijn gezicht en hij houdt een halve liter bier in zijn rechterhand. Er ontstaan rimpels op mijn gezicht en in mijn rechterhand houd ik een groene sleutelhanger in de vorm van een vogel waaraan mijn fietssleutel bengelt.

“Spreekt ge een beetje Frans?” vraagt een kerel me op de Vlaamse Steenweg. Dubbele shit. Hoe vaak heb ik deze vraag al niet gekregen en ben ik na mijn eerlijke antwoord overvallen geweest. Letterlijk, zonder pistool ofzo, maar ik was geld kwijt voor ik het wist. En figuurlijk, door een grote schaamte. Ik kan altijd wel een euro of twee drie missen… De gedachte dat ik in de winkel niet zelden een kwartier voor een rek sta te twijfelen tussen het kussenzacht toiletpapier van Scottex dat bestaat uit zes laagjes of een goedkoper merk met twee laagjes, schiet door mijn hoofd. Ik voel de twee laagjes zelfs even schuren…

Op andere momenten wanneer mijn eeuwige twijfel lijkt te slapen, bestel ik glazen en flessen à volonté en denk ik op den duur niet meer na. Voor hulp aan de overstroomde gebieden in Bosnië wil ik ook wel geld bijdragen. Omdat een goede vriendin van me, Azra, van daar afkomstig is. Maar de sukkelaar op de stoep wandel ik voorbij. Voorbij wandelen, vluchten van een overdosis verdriet die niet voorbij gaat. Geld uitgeven dat is een spelleke Roulette.

De stilte die tussen ons in hangt dringt tot mij door. Te laat en te stil antwoord ik ‘oui’. Dan pas zie ik hoe vriendelijk zijn ogen staan. Hemelsblauw zijn ze. ‘Helblauw’ heb ik als verwoording daarentegen nooit verstaan. Het is daar toch donker en rood, in de hel? Hij vraagt of hij me iets mag leren en wenkt me naar mijn fiets. Nogmaals shit. Ik betrap mijzelf op mijn bekakte vooroordeel en stap dichterbij.

Hij tikt met zijn rechterhand op zijn borst, net boven zijn hart. Ik wacht op wat er gaat volgen. ‘Cyclo’, lees ik op de plek waar hij zijn hand liet rusten. “Als je je fiets op slot doet, hang je best je slot rond het kader van de fiets én ook nog extra rond je achterwiel. Zo wordt het niet gepikt”. “Dju ja” ontsnapt me. Het is één van de lessen die mijn vader mij keer op keer meegaf wanneer we gingen fietsen door de velden van het Pajottenland, zelfs wanneer ik het correct deed. Ik had het hem dit keer ook wel horen zeggen – een echo uit mijn jeugd – maar ik had het niet gedaan, uit luiheid.

“Luiheid, dat betalen we soms heel duur”, zegt de kerel van Cyclo en hij knipoogt. “En waarom hoort het slot rond het achterwiel en niet rond het voorwiel, die wielen zijn toch hetzelfde?”, vraag ik nog voor de volledigheid. “De wielen lijken inderdaad wel op elkaar”, lacht hij, “maar aan je achterwiel hangen je vitessen. Dat wiel is veel meer waard”. “Dju ja”, ontsnapt me en ik hoor “voorzichtig voor uw derailleur, Jill, dat is veel waard!” echoën uit mijn herinneringen. Ik geef hem een hand, kijk even of er nu kettingsmeer op mijn hand plakt of niet en verplaats mijn slot naar een plek tussen de baar op straat, het kader en het achterwiel. “Goede avond nog. Bon weekend aussi. Bonne vie en fait” roept hij vrolijk uit en we vervolgen elk onze eigen weg.

“Shit”, zeg ik tegen de vriendin met wie ik al van het Vossenplein onderweg ben om een garnaalkroket te gaan eten, “ik dacht eerst dat hij geld wilde en…”. “En hij heeft eigenlijk gewoon een week heel hard gewerkt en hij had dorst”, vult ze me feilloos aan. We lopen zwijgend verder over de kasseien van de Vlaamse Steenweg. Ik wil haar iets zeggen over hoe zij wel tien minuten eerder enkele munten in een kartonnen koffiebeker had geworpen van een lichaam op de stoep en iets over mijn bekakte vooroordeel, ik voel het zelfs een beetje schuren… Maar we lopen zwijgend verder.

We bestellen onze garnaalkroket au Laboreur. We bestellen glazen en flessen, discussiëren over Brusselse, Vlaamse, Federale en Europese politiek en denken op den duur niet meer na. Al een chance dat mijn fiets er nog staat wanneer we beslissen terug naar huis te keren, met zijn twee wielen die op elkaar lijken en met het zadel dat… nouja… een beetje schuurt.

oogst

Twee handen

Kunnen jullie het?
Opstaan om kwart voor zeven?

Deze vraagstelling is het gevolg van mijzelf zowel een avond- als een ochtendmens te wanen. Ik ben laat opgebleven. Ik ben vroeg moeten opstaan. Zodra duik ik vrijwillig de Brusselse ochtendrush in en zal ik doen alsof ik ook ergens haastig naartoe ga.

Kwart voor zeven. De enige reden waarom ik denk dat ik geen ochtendhumeur heb, is omdat er niemand is om het op uit te werken.

Ik zet koffie. Dat helpt. Het goedje droogt slechte buien uit.
Koffie, vanaf welke leeftijd mag je dat eigenlijk drinken? En hoeveel mensen die zich in de ochtendrush hebben gestort, moeten eigenlijk nog ontbijten? Traag trek ik een mueslikom en een lepel uit de berg afwas. Het heeft iets weg van een spelletje Mikado.

Twee kopjes lang kijk ik uit het keukenraam. Van zeven meter hoog zie ik hoe een donkerblauwe gezinswagen een manoeuvre inzet. In verschillende pogingen probeert hij van tussen de borduur en een tegen zijn gat plakkend kevertje weg te geraken. Millimeterwerk. Zacht tegen een andere auto aan parkeren noemen we in Brussel ‘een kuske geven’. Vanop het trottoir wuift een papa zijn zoontje op de achterbank uit. Hij vormt een hartje met zijn twee handen. Wanneer de auto eindelijk vertrekt, loopt de papa hem nog enkele passen achterna. Ik bedenk dat we te veel vergeten. De speelsheid van onze ouders – en zij die van hen  –, het eenvoudig kinderlijk gelukkig zijn. Hoe graag we elkaar al gezien hebben.

Zal hij het later nog weten dat zijn papa ’s ochtends kon vergeten dat de rest van de wereld bestond? Dat hij dan een prinsje was, op de achterbank van een koets zonder paarden. En dat zijn vader hartjes maakte met zijn twee handen.
Ik hoop het, terwijl ik mijn lege kopje koffie op de berg afwas plaats. Tussen al mijn vertedering zoek ik mijn ochtendmens en een passende jas.

Moet ik trouwens ook eens proberen met mijn twee smalle handen, die hartjes. In de volle ochtendrush van de stad . Beeld je eens in … Ja.

Ik vertrek.

bd9818b988d81811bde8ca4eb9db0c8f

Dürüm

Ik heb iets met mannen. Ik wil mijn leven delen met een vrouw. Maar ik heb iets met mannen. Met Soran dacht ik dat het een toevalstreffer was. Na de banaan bij de snack om de hoek en na de ontmoeting met Süleyman, weet ik het zeker. Ik heb iets met mannen.

Met mannen die een dürümzaak uitbaten, wel te verstaan.
En neen, ain’t no maneater… Ik ga er wel degelijk voor het vlees. Dat klinkt nog steeds dubbelzinnig. Het zit zo. De dürümzaken waar ik naar blijf terugkeren, zijn die waar ik de volgende combinatie terugvind: vlees van goede kwaliteit met een lichte bruin gebakken korst dat aan een braadspies ronddraait langs een warmhoudrek achter de toonbank én een uitbater die zoekt naar het menselijk contact bij de klanten. Hij zoekt het achter hun formaliteit, achter hun hongerige ogen, achter ‘een dürüm met goed veel andalouse alstublieft’.

Zoals Soran. Een 58-jarige man van Koerdische afkomst. Een held, een filantroop, een intellectueel die blinkt – en mij ontroert – als hij over boeken praat. Hij studeerde filosofie in Turkije, journalistiek in Duitsland, Germaanse filologie in Griekenland. Hij las Jane Austen, uren en avonden lang. Of werken van de familie Brontë, “al die mooie romantiek”, noemt hij het. Hij las Virginia Woolf en Hugo Claus door elkaar. “Maar met dat lezen sta je nergens. En ‘s morgens moet je vroeg opstaan om te gaan werken”, wimpelt hij wel vaker zijn kwetsbare kant weg. Voor de meeste mensen is hij echter een buitenlander, een kleine zelfstandige met een andere kleur die kebab verkoopt. Ik krijg het altijd warm vanbinnen wanneer ik opmerk dat iemand het doorheeft. Dat hij een belezen man is, een professor eigenlijk. Wanneer hij iemands mond doet openvallen van verbazing met zijn wijsheid en zijn zachtheid. Dan krijg ik zin om er van achter de comptoir een blokje fetakaas in te werpen, om ‘score’ te roepen en om Soran een high-five te geven. Maar ik heb geleerd om niet altijd te uiten wat ik denk (schrijven mag gelukkig wel).

“Negen jaar heb ik deze winkel gehad en ik zou nooit zoveel van mensen geleerd hebben zonder deze zaak…”, mijmert hij. Ik gooi een blokje fetakaas in mijn eigen open mond. Ik heb tijdens het werken met hem zelf enorm veel geleerd van deze lieve man, inmiddels één van mijn beste vrienden. Soms vraag ik mij af wat hij in mij heeft gezien. Op mijn eerste werkdag vergat ik voor een meisje die filosofie studeerde, de hamburger tussen haar bickyburger met curryketchup te plaatsen. Toch hield hij mij in dienst.

De snack een paar straten verder van mijn appartementje in Vorst komt in de buurt van de voor mij vereiste combinatie. Het vlees draait er dan wel niet rond, maar een van de medewerkers zoekt wel degelijk naar menselijk contact bij de klanten. Zo vond ik laatst naast de hamburger ook zijn telefoonnummer tussen mijn bicky met curryketchup. En je – iedereen, dat staat los van de versiertruc – krijgt er steevast een banaan of een flanneke mee voor niets.

En dan is er de snack op de Wielemans Ceuppenslaan die ik ‘Süleyman’ noem. Naar de uitbater. Wanneer ik de zaak voor de eerste keer binnenstap, zie ik de uitbater in gesprek met drie kleine Turkse meisjes. Hij speelt de grote vriendelijke beer, hijst zich halvelings over de toonbank heen en geeft hen een lolly. Ik glimlach om het tafereel. Hij betrapt mij hierop en bloost, net voor de meisjes de lolly’s gretig uit zijn hand grijpen. Hij draait zich om, schept wat pitavlees op de bakplaat en ik speur evenzeer met een blos op mijn wangen de menukaart verder af, al bestel ik al jaar en dag steeds hetzelfde.

Hij stopt mijn dürüm ‘met goed veel andalouse alstublieft’ in een zakje. Ik houd twee stukken van twee euro op elkaar gedrukt klaar in mijn hand. Wanneer ik betrapt ben geweest, houd ik mij altijd een moment lang voortreffelijk aan de gedragscode. “Wie goed kijkt, denkt goed, leeft goed en leeft op, op elk mogelijk moment”, zegt hij plots. “Jij hebt rode kaken, een menselijk hart. Dat kan je niet kopen. Het zit in jouw ‘spirit’, het is jouw instinct. Een andere vrouw kan een man klop geven op straat en niet rood worden. Jij zou rood worden, je verlegen voelen. Zoals toen je zag dat ik die meisjes een lolly gaf”. “Score”, denk ik. High-five. Fetakaas. Ik reken giechelend af en verlaat perplex de zaak. “En wat is me dat giechelen nou ook weer”, lach ik met mezelf.

De tweede keer dat ik de zaak binnenwandel, vraag ik hem hoe hij daar zo zeker van kon zijn dat ik niemand een klop zou geven op straat met mijn sacoche. “Ook hallo”, lacht hij en begint mijn dürüm klaar te maken. Hij vertelt me dat er soorten mensen zijn. “Een bij wordt als bij geboren en weet instinctief dat ze honing uit bloemen zal halen, dat ze een nest zal bouwen en dat ze een koningin, een werkster of een dar is. Een olifant weet dat hij met zijn slurf eten zal moeten zoeken. Een mens weet niet wat of wie of bij wie hij moet zijn. Er zijn mensen die kiezen om bij iemand te zijn omdat ze die persoon mooi vinden qua uiterlijk. Maar wat volgt er na de seks? Dan hebben ze elkaar niets te zeggen… Er zijn mensen die bij iemand blijven omdat die een dikke portefeuille heeft. Maar die mensen, die zijn niet vrij… En er zijn mensen die bij iemand willen zijn omdat ze uren en uren kunnen praten. Omdat ze elkaar inspireren. Omdat ze elkaar aan het lachen brengen. Omdat ze elkaars gedachten willen kussen”.

Ik denk aan de vrouw die ik ‘lief’ mocht noemen. Ik vond haar mooi, ja. Maar wij hadden elkaar wél altijd iets te zeggen. Een dikke portefeuille had geen van ons beiden. Wij waren vrij. Maar wij waren soms te vrij om tot bij elkaars gedachten te geraken, om ze te kussen.
Ik zeg hem dat ik zijn exposé apprecieer. En dat ik de volgende keer opnieuw met een vraag zal komen die hij dan mag bespreken. Hij glundert. “Het zou vreemd zijn als jij hier zou binnenkomen zonder vraag, zonder enige vraag. Want jij bent iemand die geïnspireerd raakt”. Ik sta paf.

De volgende keer kom ik in mezelf gekeerd, hongerig en zeiknat de zaak binnen. Thuis ben ik aan een boek gekluisterd en eigenlijk wil ik het liefst van al met niemand praten en alleen op de wereld verder lezen. ’Lees dit boek en je zal de liefde begrijpen’, staat er op de achterkant van de boekomslag. Het trekt de plakband van mijn lippen, scheurt mijn mond terug open, sleurt de pijn uit mijn keel en zet mij er toe aan een brief van 14 pagina’s te schrijven naar die vrouw, naar ‘lief’, die ik al maanden niet meer spreek. Ik wil met mijn gedachten tot bij haar geraken.

Toegeplooid op de vervulling van mijn basisbehoefte naar warmte, eten en wat liefde, geef ik Süleyman kort aan dat ik dit keer geen vraag heb. Hij houdt zijn hoofd een beetje schuin en kijkt me een ogenblik doordringend aan. Hij ontmaskert mij. “Je loopt wel rond met een vraag, maar je wil ze mij niet vertellen”. Hij pakt mijn fijne hand in zijn reuzenhand en legt de rug van mijn hand naar boven gekeerd. Hij plaatst er zijn gsm op. Die wankelt en valt bijna. Hij kijkt of ik het goed gezien heb en keert dan mijn hand om, met de handpalm open en klaar om te ontvangen. “Kijk, in zo’n periode zit jij nu, net, na het wankelen en het vallen. Je hart en je hoofd staan terug in verbinding. En met mensen anders dan deze in verbinding, moet jij niet te veel omgaan. Ze gaan jou niets bijbrengen. Laat alles op je afkomen en als er een kans komt, maak dan plaats in je leven. Als iemand jou liefde geeft in een golf, dan ben jij iemand die jouw liefde teruggeeft in een golf. En dan heeft die ander meer liefde dan ervoor. In het begin kwam jij hier louter om te eten. En nu geef je me al een hand als begroeting en een klopje op mijn schouder als ik je doe lachen. Ik heb jou vriendelijkheid gegeven. En jij hebt mij die meteen teruggegeven”. Stil geef ik hem een klopje op zijn schouder, schud zijn hand en verlaat weerom perplex de dürümzaak. (mensen vertellen mij soms zaken, waarover ik gewoonweg moét schrijven).

Onderschat dus niemand die dürüm verkoopt. Houd je handpalmen open. En kijk altijd eerst eens tussen je bickyburger, vooraleer je misschien wel een telefoonnummer mee verslindt.

d3758079fd94eb2745485923e8ea9969

Baby let me follow you down

Ze kent Bob Dylan niet, poetst telefoons bij Mobistar en gokmachines in een Casino dat ik niet ken. “En gij kent dat niet? Ze maken daar toch reclame over op den tv, allez?”. Bob Dylan versus Casino:1-1, we zijn aan elkaar gewaagd. Ik kijk naar mijn mp3 speler alsof ik er van verwacht dat hij me aangeeft dat ik beter blijf luisteren naar ‘Blood on the tracks’ of dat ik deze treinconversatie gewoon moet aangaan en dat de reden daarvoor mij nog wel duidelijk zal worden.

Ik had namelijk in Antwerpen-Berchem een vertrouwde trein naar Brussel genomen. Het leek trouwens alsof ik de enige was. De hele trein was leeg, niemand te zien. Ik legde mijn voeten op het tafeltje in het midden van een vierzits en ik besloot kerstdag te eindigen met Bob Dylan, die mij er altijd weer aan herinnert dat ik niet mag vergeten onder de sterrenhemel te dansen – ‘with one hand waving free’. En dat als je goed luistert, de antwoorden op je vragen in het waaien van de wind oplaaien. Hij geeft me altijd moed en het gevoel dat ik op mijn eentje de wereld kan doorstaan.

Toen stapte zij op in Mechelen. Ze was zijdelings op haar zetel gaan zitten alsof mijn leven een film was – bij wijlen – en ze op de eerste rij wilde zitten. Ondeugend had ze me aangekeken. Plots was ze beginnen giechelen en krolde ze zich op als een kat tegen de zetel. Haar haar kreeg elektriciteit van de wrijving van haar vlijende bewegingen. Ik had de mp3 speler uit mijn oren gehaald en hoorde: “Het is precies goeie muziek. Uw kop gaat zo heen en weer”. “Bob Dylan”, had ik samenzweerderig gezegd. Maar ze kende hem niet. Ik liet haar even luisteren. “Dat is niet van mijnen tijd”, had ze gezegd. En dat ik nog een jong ding ben en dat ik daarom Bob Dylan ken. En dat zij Miranda heet en van ’69 is.
(tiens, toen had Bob Dylan al een ‘Greatest Hits’ uit… maar oké.).

De display van mijn mp3 speler geeft aan dat inmiddels het volgende lied beginnen spelen is. “Don’t think twice, it’s alright’”. Ik neem het advies aan, besluit volledig volgens mijn natuur de treinconversatie aan te gaan en kijk naar de onbekende vrouw die nog steeds naar me lonkt. “Dus gij kent dat Casino niet? Ik vind het leuk om te poetsen. Het is rustig en er zit niemand achter mijn gat”. Plots laat een felblonde kerel zich op de zitbanken achter haar gat glijden.

“Jij bent van ’69, Miranda. Ik ben Bert, van ’73. En jij bent van ’86, ik voel dat aan”, zegt hij met zijn wijsvinger op mij gericht. Hij gokt juist. Hij zegt dat ik in juni geboren ben. Hij zit dichtbij, ik verjaar in mei. Hij zegt dat ik een Tsjernobylkind ben. En dat mijn huid wel nog jong en effen is en dat vast meer mensen mij dat vertellen. En dat hij op de dag van mijn verjaardag verliefd werd op een panda. Op een Fiat Panda. En de dag dat ik tien werd, op Miss België die net verkozen was. Zijn geheugen lijkt ontzettend groot en helder. Hij prevelt vervolgens nog een tijdje over dagen en over Missen en staart voor zich uit – hij ziet ze waarschijnlijk één voor één terug op zijn netvlies passeren.

Ik vraag hem of hij zich graag met Astrologie bezig houdt en of hij daarom mensen hun geboortejaar en sterrenbeeld kan raden. Ik heb eens een lief gehad. Ja. En zij zat er wel vaker boenk op. En dit keer bedoel ik daarmee dat zij wanneer ze nieuwe mensen ontmoette, na een tijdje hun gedrag te observeren, kon aanvoelen wat hun sterrenbeeld was. Ik vraag me af hoe zij gisteren kerstavond doorgebracht heeft… Enfin soit, Bert antwoordt mysterieus dat hij graag met tijd bezig is en hij staart opnieuw voor zich uit. Miranda vraagt hem of hij kan berekenen op welke dag ze verjaart. Ze zegt me dat het op een maandag was. Jah. Natuurlijk zegt Bert na een staaltje concentratie dat ze op een maandag geboren is. Converteert hij echt verjaardagen à la carte? Hij is intelligent, maar hij de echte test zal hem liggen in het raden van mijn geboortedag. Na duizend verbindingen in zijn hersenen waarbij hij een logboek leek te doorbladeren in zijn hoofd, meldt hij dat 10 mei een zaterdag geweest moet zijn.

Miranda moet blijkbaar wat kwijt, aangelengd door de jenevers die ze de hele namiddag dronk. Ze vertelt dat ze haar dochter heeft gehaald in de GB. Mijn effen huid frommelt op, ik begrijp er niets van – van deze hele conversatie niet. “Amai, wat een kop, Jill. Ja, op een kwartier persen was ze er uit. Ik heb haar in de GB in ‘de reclam’ gekocht, he. Hare papa, mijn ex, die woont in Mechelen. Ik kom juist van bij hem. We komen juist terug goed overeen, seg”. Ik kan er mij iets bij voorstellen… dat hìj achter haar gat zit, dat vindt ze dan wél leuk. “Maar er is nog een man bij wie ik soms slaap hoor. Ik zal wel zien”. Niet vergeten dat Bert ook nog altijd achter haar gat zit: “Ja, je zal wel zien. En jij moet nog zo ver vanavond, helemaal alleen naar de zee. Zal ik meekomen?”, pikt hij in. Een imperfecte imitatie van Bobs’ ‘Baby, let me follow you down’ man, heb ik als binnenpretje.

Hij weet mijn glimlach en Miranda’s geshoqueerde blik niet goed te plaatsen. Hij raakt in paniek en begint heen en weer te wiegen. Opnieuw staart hij ons minutenlang aan. Miranda zoekt mijn ogen en bescherming en ik, ik kan haar niet gerust stellen. Ik besef dat ik weer in een ‘opmerkelijke’ situatie terecht gekomen ben en ik vergewis mezelf ervan dat ik hier rustiger op reageer dan anders. ’t Is te zeggen, met een groter ‘none of my business’-gehalte. Mijn medemens zoekt mij en ik, ik trek mijn grenzen. Elke grens groeit een millimeter meer aan mijn eerste rimpel. Ik voel mezelf volwassener worden these days. Daar gaat die effen huid…

Zijn manier van sociaal contact initiëren is bizar. Zonder besef van de prikkels uit zijn omgeving stelt hij doodleuk voor om ‘emailadresjes te verzamelen’ en elkaar te schrijven over onze gedeelde ervaringen. Zijn waarnemingen lijken uit losse fragmenten zonder samenhang te bestaan. Het lijkt alsof hij de buitenwereld controleerbaar wil maken via zijn keuze voor onderwerpen. De nacht voor mijn examen psychologie flitst door mijn hoofd. Doorlopende koffie, notities op ruitjespapier en een knoert van een cursus met op pagina 295 de kenmerken van autisme. Bert verzekert ons ervan dat hij dat nog doet met mensen, emailen. En dat ze hem soms ook terug schrijven. Toch efkes twee keer nadenken. Zelfs in de barmhartige sfeer die rond kerst hangt, weer ik dit aanbod af. “Waarom niet?”, vraagt hij misnoegd. Miranda kijkt me aan met ogen die hopen dat ik een sociaal wenselijk antwoord zal geven. Ik doe al genoeg aan solidariteit, wil ik zeggen en draai mijn tong tien keer om.

Nous arrivons à Bruxelles-Midi. “Ben je zeker dat ik niet moet meekomen naar bij u thuis”, probeert Bert nog, onbestemd. Ik zeg gedag ‘with one hand waving free’ en verlaat de wagon van het kerstverhaal over de autist, de dolle poetsvrouw en het jong ding dat net zo min als Bob Dylan sociaal wenselijk kan zijn.

Als ik thuiskom vraag ik in een sms aan mijn moeder op welke dag ik ben geboren. Op een zaterdag, zo blijkt… Hij had dus toch gelijk. “Tijdens een hevig onweer”, stuurt ze me nog in een tweede berichtje. Zou Bert a.k.a Rain Man dat ook geweten hebben?

www.onlineconversion.com/dayborn.htm

5864dc37364bcfc6e5ff27555aff4adc

hard: ♪Baby let me follow you down – Bob Dylan

&

soft: ♪Baby let me follow you down – Bob Dylan

Ik was Rihanna bij de kapper

Ik wil stante pede terug naar buiten lopen. Bleke poppenhoofden aan een wasbak. Geen lijf te bespeuren. Scherpe scharen zwermen rond hun wangen. Kammekes en krultangen krioelen langs valse haren. Aan de grond genageld spurt ik de trappen af, de hoekjes om, nog meer trappen af. Ik loop door gangen met lage plafonds die het gewicht dragen van 300 boekentassen en banken, van verkreukeld half ingevuld huiswerk en van propvolle hoofden in handpalmen steunend op een elleboog, tot …

Één van de hoofden beweegt. Een vrouw – een levende vrouw – met onvervalst kort blond haar wordt onder handen genomen. Handen zonder scharen. Ik ontwaak uit mijn door Tim Burton gekleurde fantasie. Tien vingers met bloedrode nagellak woelen het piekerige haar van mevrouw door elkaar. Mijn zin voor realiteit dringt stilaan – steeds stilaan – door en ik zie hoe tien meisjes en een mengeling van ernst en van speelsheid de ruimte vullen. Ik bevind me in Anneessens Funck, de middelbare school op het Groot Eiland in het centrum van Brussel, bij de 5e jaars richting Haarzorg. Een vrolijke vrouw met een zwierig kleedje komt op me afgewandeld.“Ben jij Jill?”. “Ja” zeg ik.
(En ik krijg zin om te zingen “Mijn naam is Jill en ik zeg ja. Naam, familienaam”).

“Eda, jij mag mevrouw haar haar wassen”.
Hebben ze het over mij? Ben ik ‘mevrouw’? Zo blijkt. Het meisje neemt me mee. Ze heeft donker haar samengebonden in een paardenstaart vooraan op haar hoofd. Daar was Tim weer, dat laatste moet een reflectie in één van de vele spiegels geweest zijn. Eda loodst me naar de witte porseleinen wasbakken achteraan in de klas. Haar naam betekent ‘vurig’.

“Is het goed zo? Zeg het maar als het te warm is. Wil je ook een verzorging? Neen?” Veel vragen tegelijkertijd en weinig kans om te antwoorden: Met je hoofd ‘neen’ schudden is onmogelijk als je hals tussen twee uitstulpsels van zo’n wastafel ligt. ‘Ja’ knikken gaat evenmin. De kracht van de masserende handen drukt je hoofd naar beneden in de andere richting van hoe ‘ja’ begint. Ook praten gaat erg moeilijk wanneer je met je hoofd naar achter, met langgerekte keel en met je stembanden op hun maximumlengte, verloren in een poncho gevangen zit als een olifant in een porseleinen wasbak. Gelukkig gaat het ook zonder praten goed, Eda weet perfect wat ze moet doen.

Even later zit ik naast zo’n bleek poppenhoofd en staar ik mezelf aan in de spiegel. Na een praatje met de leerkracht besluit zij: “Ik begrijp het. Je wil drie kapsels in één. Meisjes, kom eens allemaal kijken. We gaan hier drie kapsels in één doen. Dat is pas interessant”. Voor ik goed besef wat er gebeurt, ben ik omringd door tien jonge kapsters in wording, geamuseerd door mijn bezoekje en met allerlei ideeën over een mogelijke nieuwe coupe… “Je moet je haar doen zoals mevrouw De Ville”, zeggen de meisjes. “Haar heb ik graag, bij haar mag ik mij uitleven”, zegt de leerkracht en vervolgt dat we “een halve maan gaan uitvoeren”. Ik moet denken aan de Halvemaanstraat bij mij in de buurt. Rue du Croissant in het Frans. Twee zo’n mooie en zo’n verschillende namen in het Frans en het Nederlands, voor dezelfde straat. Een snoeiende schaar haalt me uit mijn gemijmer over koffiekoeken.

“Amaai, je bent echt mooi. Je moet doen zoals Rihanna. Je zou heel goed staan met kort haar”, zegt één van de meisjes. De docente corrigeert haar. “Kijk. Dat is lief van u, maar je mag dat niet doen. Dat is psychologie. Als een klant binnenkomt met een idee, mag je dat niet minimaliseren of wegnemen. Je kan alleen vertellen wat je doet en waarom en dan moet je zien dat je klant ‘waow’ zegt. Als mensen buitengaan met het gevoel dat ze mooier zijn dan voordien, dan ben ik content se”.
Het meisje rolt met haar ogen, maar slaat de feedback op en steekt een plagerig offensief af als repliek. “Mevrouw, je hebt mooie benen. Je hebt een mooi kleedje aan. Je ruikt lekker”. De leerkracht bloost en lacht “Allemaal complimenten die ik kreeg van klanten. Ik zal dat vanavond een mijne sjoe vertellen”. “Ah bon en wie zegt u dat allemaal, gaat hij denken”, plaagt het meisje nog één keer voor ze weer met ogen vol respect naar haar leerkracht kijkt. “Ik ben Sebnem, de secretaresse van mevrouw”, vertrouwt ze me toe. “Hey meisk. Wat hebt gij vandaag al gedaan he meisk?”, provoceert een andere chick haar. De leerkracht heeft kennelijk verschillende secretaresses. “Hela, niet zo stoer Chaima. Bij Sebnem weet je meteen wat je aan haar hebt vanaf het moment dat ze de klas binnenkomt. En vandaag is dat… niks”, lacht de leerkracht. Alle meisjes proesten het uit en ze geven Sebnem een ‘low five’.

“Heb jij een lief?”. Als een dwaalster schoot miss S. haar volgende vraag op me af. “Je moet eyeliner aandoen. Dan ga je direct een lief hebben”. Ik voel me een honnepon in een beautysalon met een afspraak voor een all-in. Niet verwonderlijk, 5 Haarzorg krijgt vakken als ‘Geschiedenis van mode, haartooi en schoonheidsverzorging’ en ‘Make-up, nagels lakken, brushing en kindergrime’.

Het belsignaal schudt de school door elkaar. De levende vrouw met het piekerige haar vraagt hoeveel ze moet betalen. “Zes euro en dames, jullie moeten nog wat gel in mevrouw haar haar doen. Nu ligt het zo braaf. En zo is mevrouw niet”, besluit de docente. Ik gniffel. “Haar kapsel moet bij haar persoonlijkheid passen. Blijf nieuwsgierig naar iemands persoonlijkheid, blijf verwonderd, dames”, geeft ze hen nog mee voor de meisjes de klas uit rennen. Het onderwijs in Brussel is niet evident. En iedereen heeft er kwetsuren… Maar deze leerkracht houdt vol en is één van de grote schatten die zich met hart en ziel inzet voor haar leerlingen. En wat een magnifieke ervaring is dit bezoek aan Anneessens Funck, denk ik terwijl de klas leegloopt. “Je hebt een leuke stijl en je bent echt mooi”, glimlacht Amina nog naar me terwijl ze door de deur glipt.

Rihanna – met verschillende coupes, dus meermaals – schiet door mijn hoofd. “You’re a shooting star i see” zingt ze zwoel. Ik ben mooi voor maar zes euro. En jullie zijn ook mooi, dwaalsterren. Laat niemand jullie ooit het tegendeel beweren.
Shine bright like a diamond.

f53dc349867f37331d3d1d8557cf0489

♪Shine brigth like a diamond – Rihanna

Het kost niet veel

Een warrige haardos, een verwarde tong, logge laarzen, een lijvige jas en een blik Jupiler van een halve liter in zijn hand. De man stapt op in Brussel-Zuid en kijkt vriendelijk de treincoupé rond. Hij ziet eruit alsof hij weet wat hij wil vertellen. Hij neemt plaats naast een andere man. Die man is afwezig, bezig, op zijn draagbare computer – zijn draagbaar werk. Hij is eerder net gekleed. Gereserveerd.

Ik heb mijn mp3-speler aanstaan. Ik doe dat niet vaak, maar na een dag werken, doet muziek mij altijd deugd. Sommige plekken nodigen mij daartoe ook uit. Stations, treinen, metro’s, doorgangsplaatsen, ik kan er zo lekker gewoon passeren en alles laten plaatsvinden. Je hoeft nergens aandacht aan te schenken. Je kan een moment van rust scheppen, om de werkdag achter te laten, of die nu goed of slecht was. De twee mannen intrigeren mij. Ik zet mijn muziek af, het moment wint en ik luister naar wat er zich in de trein afspeelt.

De man met de dikke laarzen zit intussen recht tegenover de andere man. Alsof die ander hem gevraagd heeft om aan de overkant te gaan zitten. Omdat hij de geur van drank, van vermoeidheid en van een vrijdagavond onuitstaanbaar vindt. Intussen heeft de gereserveerde man ook zijn draagbare computer weggestopt. Al is het niet om te praten met de gelaarsde man, maar om uit het raam te kijken, weg van zijn overbuur. Hij doet overigens hard zijn best om te doen alsof hij dat uitermate belangrijk vindt, of nodig heeft.

De man met de verwarde haardos houdt met zijn ene hand twee zakken vast. In één daarvan zit een meloen. In de andere hand houdt hij zijn halve liter. Hij geniet er duidelijk van, na een lange, harde werkdag, denk ik. Hij stelt de andere man allerlei vragen. “Past kaneel bij gebakken appelen en merguez? Of zou ik beter een andere specerij aan het gerecht toevoegen?” De andere man geeft geen kik. Heeft hij geen culinair advies, voelt hij zich gegeneerd of wil hij liever niet praten? Hij blijft in elk geval star uit het raam staren.

De trein zucht plots en de zak met de meloen valt en rolt ver naar voren. De eigenaar zet zijn biertje op de zetel, lacht lief, geamuseerd, zelfs vertederd en hurkt neer om de meloen op te rapen. “Ik heb hem terug. Ik moet uitstappen in Buizingen. En u?” vraagt hij. “In Lot”, antwoordt de andere man kort. We passeren Vorst-Zuid, een halte waar ’s avonds vooral arbeiders met logge laarzen en lijvige jassen opstappen. De man met de meloen wijst naar de fabriek van Audi die daar gelegen is. “Fabriek”, zegt hij. Hij lijkt even ver weg in gedachten verzonken, naar een ander land, zo ver, en hij houdt zijn blik op dat gebouw gericht tot het industrieterrein uit het zicht verdwijnt. “En nu ga ik naar huis, naar mijn vrouw. Ik heb zo’n lieve vrouw…”. Hij zegt het zo zacht, zo gemeend, dat ik bijna kan voelen welke tederheid er tussen hem en zijn vrouw plaatsvindt.

We komen aan in Lot. “Bedankt voor het gesprekje en een goede avond nog”, zegt de gelaarsde man en hij heft zijn biertje op. De nette man kijkt niet om en maakt dat hij weg is. Het kost nochtans niets, een ‘goeiedag’.

Als we de volgende halte naderen, Buizingen, merk ik dat de zak met de meloen opnieuw verdwenen is. We kijken allebei rond. “Het kan geen kwaad, het kost niet veel, een meloen”, zegt hij. Ik bedenk me dat de man weet waarvoor hij elke dag gaat werken, in zijn robuuste plunje. Hij werkt om naast het werk zijn leven te kunnen leiden. Om zijn vrouw af en toe eens uit eten te kunnen vragen, om haar te verrassen met een boeket bloemen, of met een uniek stuk fruit.

Ik sta op en vraag aan de achterste banken of niemand een meloen heeft gezien. Hoewel ik de context ken, klinkt de vraag toch geestig. Iemand wijst naar de grond wat verder op. Daar ligt het zakje. Ik raap het op en zoek de man. Hij staat al aan de deur om uit te stappen en knoopt zijn logge jas zorgvuldig toe. Het wordt herfst, het wordt wat frisser en het wordt vroeg donker. Hij kijkt verrast op. “Nog een lieve vrouw”, zegt hij. Ik moet lachen, geamuseerd, vertederd zelfs.

gele-halve-meloen-en-wildflowers-58492758

Wildstil

Op de banken in het bos komt de woedende woekerende stad in ieder
tot rust.
Ze neemt tijd en adem, ze zwijgt en ze praat met elkaar,
ze telt haar wortels en haar takken.
Mensen op de banken in het bos ademen,
tellen hun wortels, zwijgen, praten, staren.
En als ik een passant ben wanneer de mensen op de banken staren,
dan loop ik niet in een boog om hen heen, neen, maar rechtdoor als een pijl door de wind.
En toen ik hen op een keer met veel wind passeerde in het park van Vorst, verrasten ze me eens.
Ze zetten ‘Always look on the bright side of life‘ in. En ik keek die kant op.

In het bos komt onze neiging tot gehoorzaamheid tot rust.
Doe eens je zin. Dat denkt ook de hond die niet doet wat baas wil.
Hond denkt: wat betekenen die gebaren, die geluiden
en ik wil niet lopen naar wiekende armen, wel
blijven liggen in het gras.
En hij blijft liggen. Dat kan tellen als protest. Dat denk ik ook vaak ’s ochtends.

Op de banken in de stad woedt en woekert alles en rust
niets.
Ik wandel in bogen om niet te botsen tegen geen enkel gezicht dat ik ken.
Ik ken niemand.
Ik weet wel dat Chinezen die met hun handen in de lucht lopen, een gek zicht zijn en ook gids.
Ik weet ook dat de vrouw van de taverne in Brussel-Centraal niet meer antwoordt
wanneer mensen haar de weg vragen.
Ze spreekt alleen nog als je een koffie of een pint bestelt.
En ik weet eveneens dat de twee uitbaatsters van de koffiezaak in Brussel-Noord elkaar graag zien…
En ik weet dat ergens in een leuk appartement
bij de transparante lift aan het Justitiepaleis, een jongeman soms aan het raam staat te koken.
En dan een proevertje aanbiedt aan zijn vriendin. Waarop zij haar neus optrekt en een smoel trekt.

In de stad maken ze reglementen.
Daar en hier en in het park mag je om te beginnen geen bloemen plukken.
En hier en daar en in het park komen plekken met hekken
waar je niet over mag klimmen,
om bij de bomen of om bij elkaar te zijn.
Ze maken plekken waar je niet zomaar mag overnachten,
maar wat als je daar nu het allerliefst zou wonen?

In de stad scheuren we onze kleren aan hekken, aan regels en aan mekaar.
In het bos wijken we van paden af, likken we onze scheuren, onze wonden,
als een dier en wildstil.

pluk-bloemen-geen-teken-54210475

Wildstille video

 

De gedachte die erachter zat

Ze barst.
Ze barst in een schaterlach uit.
We zitten aan het Zuidstation in Brussel naast elkaar op een bank
onder de treinsporen aan Avenue Fonsny.
We wachten op tram 83 richting Montgomery, die binnen 1 minuut aankomt.
Haar glimlach maakt het begrip ‘hartverwarmend’ voelbaar. Ze barsten.
De bevroren ijspegels rond mijn gebroken hart trillen, barsten en breken.
Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.

Blij dat er iemand is om naar te lachen, vertelt ze me dat ze gelukkig wordt
van de vrouw aan de overkant van de sporen – tram 83 richting St. Agatha Berchem:
“Zij zingt, danst en glimlacht naar iedereen die haar voorbij wandelt.
Zonder alcohol. Sans alcool. Simplement … content.
Dans le présent, in het moment.”
Ze vertelt me dat deze vrouw buiten slaapt, op straat.
Dat als we nu allemaal zouden omkomen door één of andere storm,
chemische aanval of ijstijd, zij wel – zij wél – deze wereld gelúkkig verlaat.
Ze vertelt dat haar eigen dochter van 14 dit had moeten zien
en dat ze een beetje speciaal is. “Elle est un peu spéciale. Gelukkig maar.”
Ze kent ook een verhaal over een rijke man
die op een zeker moment in zijn leven teveel schoonheid
in andere mensen gewaar werd …
Hij besloot daarom boeddhist te worden.
Ze vertelt dat we meerdere levens hebben
en dat we niet in ons verleden mogen gevangen blijven zitten.
Dat we het een plek moeten geven en dan naar onze toekomst horen te kijken.
Ze drukt uit wat ik de laatste dagen ervaar en waar ik voor kies.

Ik moet de tram al uit aan de halte Koningslaan. Zij rijdt nog wat verder.
Ik geef haar een hand en zij wenst mij nog veel geluk.
Ze zegt dat ik een aardige glimlach en ‘iets kunstig over mij’ heb.
Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.
“Omdat jij veel absorbeert. Teken of schilder jij misschien?”
“Ik schrijf heel graag”, zeg ik.
En waarschijnlijk ook iets over deze ontmoeting,
over uw glimlach en over de gedachte die er achter zat,
denk ik terwijl ik hartverwarmd de tram uitstap.
Mijn eigen ijstijd is zonet geëindigd.
Dans le présent. In het moment.

“Vous aussi vous êtes un peu spéciale. Gelukkig maar”, wil ik haar vertellen
terwijl tram 83 uit het zicht verdwijnt.
Ik wandel naar huis en denk aan de vrouw die deze wereld gelukkig verlaat.
Zij wel – zij wél.

dyn010_original_640_391_pjpeg_2565708_cb9b7ebde4ff6778732f0704ababcd34