Baby let me follow you down

Ze kent Bob Dylan niet, poetst telefoons bij Mobistar en gokmachines in een Casino dat ik niet ken. “En gij kent dat niet? Ze maken daar toch reclame over op den tv, allez?”. Bob Dylan versus Casino:1-1, we zijn aan elkaar gewaagd. Ik kijk naar mijn mp3 speler alsof ik er van verwacht dat hij me aangeeft dat ik beter blijf luisteren naar ‘Blood on the tracks’ of dat ik deze treinconversatie gewoon moet aangaan en dat de reden daarvoor mij nog wel duidelijk zal worden.

Ik had namelijk in Antwerpen-Berchem een vertrouwde trein naar Brussel genomen. Het leek trouwens alsof ik de enige was. De hele trein was leeg, niemand te zien. Ik legde mijn voeten op het tafeltje in het midden van een vierzits en ik besloot kerstdag te eindigen met Bob Dylan, die mij er altijd weer aan herinnert dat ik niet mag vergeten onder de sterrenhemel te dansen – ‘with one hand waving free’. En dat als je goed luistert, de antwoorden op je vragen in het waaien van de wind oplaaien. Hij geeft me altijd moed en het gevoel dat ik op mijn eentje de wereld kan doorstaan.

Toen stapte zij op in Mechelen. Ze was zijdelings op haar zetel gaan zitten alsof mijn leven een film was – bij wijlen – en ze op de eerste rij wilde zitten. Ondeugend had ze me aangekeken. Plots was ze beginnen giechelen en krolde ze zich op als een kat tegen de zetel. Haar haar kreeg elektriciteit van de wrijving van haar vlijende bewegingen. Ik had de mp3 speler uit mijn oren gehaald en hoorde: “Het is precies goeie muziek. Uw kop gaat zo heen en weer”. “Bob Dylan”, had ik samenzweerderig gezegd. Maar ze kende hem niet. Ik liet haar even luisteren. “Dat is niet van mijnen tijd”, had ze gezegd. En dat ik nog een jong ding ben en dat ik daarom Bob Dylan ken. En dat zij Miranda heet en van ’69 is.
(tiens, toen had Bob Dylan al een ‘Greatest Hits’ uit… maar oké.).

De display van mijn mp3 speler geeft aan dat inmiddels het volgende lied beginnen spelen is. “Don’t think twice, it’s alright’”. Ik neem het advies aan, besluit volledig volgens mijn natuur de treinconversatie aan te gaan en kijk naar de onbekende vrouw die nog steeds naar me lonkt. “Dus gij kent dat Casino niet? Ik vind het leuk om te poetsen. Het is rustig en er zit niemand achter mijn gat”. Plots laat een felblonde kerel zich op de zitbanken achter haar gat glijden.

“Jij bent van ’69, Miranda. Ik ben Bert, van ’73. En jij bent van ’86, ik voel dat aan”, zegt hij met zijn wijsvinger op mij gericht. Hij gokt juist. Hij zegt dat ik in juni geboren ben. Hij zit dichtbij, ik verjaar in mei. Hij zegt dat ik een Tsjernobylkind ben. En dat mijn huid wel nog jong en effen is en dat vast meer mensen mij dat vertellen. En dat hij op de dag van mijn verjaardag verliefd werd op een panda. Op een Fiat Panda. En de dag dat ik tien werd, op Miss België die net verkozen was. Zijn geheugen lijkt ontzettend groot en helder. Hij prevelt vervolgens nog een tijdje over dagen en over Missen en staart voor zich uit – hij ziet ze waarschijnlijk één voor één terug op zijn netvlies passeren.

Ik vraag hem of hij zich graag met Astrologie bezig houdt en of hij daarom mensen hun geboortejaar en sterrenbeeld kan raden. Ik heb eens een lief gehad. Ja. En zij zat er wel vaker boenk op. En dit keer bedoel ik daarmee dat zij wanneer ze nieuwe mensen ontmoette, na een tijdje hun gedrag te observeren, kon aanvoelen wat hun sterrenbeeld was. Ik vraag me af hoe zij gisteren kerstavond doorgebracht heeft… Enfin soit, Bert antwoordt mysterieus dat hij graag met tijd bezig is en hij staart opnieuw voor zich uit. Miranda vraagt hem of hij kan berekenen op welke dag ze verjaart. Ze zegt me dat het op een maandag was. Jah. Natuurlijk zegt Bert na een staaltje concentratie dat ze op een maandag geboren is. Converteert hij echt verjaardagen à la carte? Hij is intelligent, maar de echte test zal hem liggen in het raden van mijn geboortedag. Na duizend verbindingen in zijn hersenen waarbij hij een logboek leek te doorbladeren in zijn hoofd, meldt hij dat 10 mei een zaterdag geweest moet zijn.

Miranda moet blijkbaar wat kwijt, aangelengd door de jenevers die ze de hele namiddag dronk. Ze vertelt dat ze haar dochter heeft gehaald in de GB. Mijn effen huid frommelt op, ik begrijp er niets van – van deze hele conversatie niet. “Amai, wat een kop, Jill. Ja, op een kwartier persen was ze er uit. Ik heb haar in de GB in ‘de reclam’ gekocht, he. Hare papa, mijn ex, die woont in Mechelen. Ik kom juist van bij hem. We komen juist terug goed overeen, seg”. Ik kan er mij iets bij voorstellen… dat hìj achter haar gat zit, dat vindt ze dan wél leuk. “Maar er is nog een man bij wie ik soms slaap hoor. Ik zal wel zien”. Niet vergeten dat Bert ook nog altijd achter haar gat zit: “Ja, je zal wel zien. En jij moet nog zo ver vanavond, helemaal alleen naar de zee. Zal ik meekomen?”, pikt hij in. Een imperfecte imitatie van Bobs’ ‘Baby, let me follow you down’ man, heb ik als binnenpretje.

Hij weet mijn glimlach en Miranda’s geshoqueerde blik niet goed te plaatsen. Hij raakt in paniek en begint heen en weer te wiegen. Opnieuw staart hij ons minutenlang aan. Miranda zoekt mijn ogen en bescherming en ik, ik kan haar niet gerust stellen. Ik besef dat ik weer in een ‘opmerkelijke’ situatie terecht gekomen ben en ik vergewis mezelf ervan dat ik hier rustiger op reageer dan anders. ’t Is te zeggen, met een groter ‘none of my business’-gehalte. Mijn medemens zoekt mij en ik, ik trek mijn grenzen. Elke grens groeit een millimeter meer aan mijn eerste rimpel. Ik voel mezelf volwassener worden these days. Daar gaat die effen huid…

Zijn manier van sociaal contact initiëren is bizar. Zonder besef van de prikkels uit zijn omgeving stelt hij doodleuk voor om ‘emailadresjes te verzamelen’ en elkaar te schrijven over onze gedeelde ervaringen. Zijn waarnemingen lijken uit losse fragmenten zonder samenhang te bestaan. Het lijkt alsof hij de buitenwereld controleerbaar wil maken via zijn keuze voor onderwerpen. De nacht voor mijn examen psychologie flitst door mijn hoofd. Doorlopende koffie, notities op ruitjespapier en een knoert van een cursus met op pagina 295 de kenmerken van autisme. Bert verzekert ons ervan dat hij dat nog doet met mensen, emailen. En dat ze hem soms ook terug schrijven. Toch efkes twee keer nadenken. Zelfs in de barmhartige sfeer die rond kerst hangt, weer ik dit aanbod af. “Waarom niet?”, vraagt hij misnoegd. Miranda kijkt me aan met ogen die hopen dat ik een sociaal wenselijk antwoord zal geven. Ik doe al genoeg aan solidariteit, wil ik zeggen en draai mijn tong tien keer om.

Nous arrivons à Bruxelles-Midi. “Ben je zeker dat ik niet moet meekomen naar bij u thuis”, probeert Bert nog, onbestemd. Ik zeg gedag ‘with one hand waving free’ en verlaat de wagon van het kerstverhaal over de autist, de dolle poetsvrouw en het jong ding dat net zo min als Bob Dylan sociaal wenselijk kan zijn.

Als ik thuiskom vraag ik in een sms aan mijn moeder op welke dag ik ben geboren. Op een zaterdag, zo blijkt… Hij had dus toch gelijk. “Tijdens een hevig onweer”, stuurt ze me nog in een tweede berichtje. Zou Bert a.k.a Rain Man dat ook geweten hebben?

www.onlineconversion.com/dayborn.htm

5864dc37364bcfc6e5ff27555aff4adc

hard: ♪Baby let me follow you down – Bob Dylan

&

soft: ♪Baby let me follow you down – Bob Dylan

Advertenties

Hart.Steen.Papier.

Ik moet leren van mijn hart een steen te maken. Dus haal ik het uit mijn borstkas. Pak het in met bakpapier. Kleur het papier grijs met een zachte stiftpunt. Ik strek mijn arm uit, zo hoog als ik kan. En ik werp de steen loeihard op de grond. Ik hoor een zachte plof. Nog niet hard genoeg. Er ontstaat een rode plas rond het grijze pakje.

Ik leg mijn druipende hart in een rivier om het bloed weg te spoelen. Ik raap het terug op om een steen verlegd te hebben. En dan moet het wel een steen worden, want ik heb in die rivier een steen verlegd en geen hart.

Ik kan het op de valreep nog aan Music for Life geven om mijn steentje bij te dragen. Neen, want dan heb ik er wel een steen van gemaakt, maar dan is het ook weg. En ik weet niet naar welk goed doel. En dat is allemaal niet de bedoeling.

Dan maar naar de zee vandaag, naar de storm gaan kijken. Thuis zijn voor het avondeten is de enige gevierde vereiste. Ze lijkt een ver verleden, één waarin ik nog thuis bij mijn vader woonde en veel te moeizaam aan de vereisten voldeed. Maar op kerstavond flakkert ze naast het haardvuur terug op en weet je wat, ik zal zelfs te vroeg zijn straks. De regen vult de zee en maakt haar nog onmetelijker. Ik gooi mijn hart in die oneindigheid. Het zinkt als een baksteen. Missie volbracht. Maar dan begint mijn hart in mijn keel te kloppen en ontstaan er grote golven op het ritme van het gebonk in mijn hoofd en dan duik ik er achteraan met mijn kleren aan. Als een doorweekte hond strompel ik terug uit het water. Dat wordt een nieuwe kerstoutfit uitzoeken voor vanavond… En kan er iets of iemand mijn hart efkes vol laten lopen met iets anders dan water en met iets warms?

Zal ik het eens in de fik proberen steken anders? ‘Van liefde rookt de schoorsteen niet’, een aanlokkelijk winters tafereel om na te bootsen op deze koude 24ste december. Het begint te roken en schiet vrijwel meteen vurig in vlam. Er zit dus liefde in mijn zwartgeblakerde schoorstenen hart. En ooit kon ik wel alleen daarvan leven.

Nu leef ik tussen bergen en dalen en ik zeul een zwaar rotsblok mee. Het heeft een scherpe punt en een top die iets weg heeft van een boezem – het lijkt op mijn hart van weleer. Ik wil die bergen en ik neem er de dalen bij. En ik kan alleen de longen uit mijn lijf lopen of aan een schuilhut tot rust komen als mijn hart geen loodzware, vormeloze, onwrikbare steen meer is. Maar zacht, met een boezemvormige top. Aha, we zijn er. Ik ga mezelf tegenspreken en dat is altijd goed, want dan kan ik daarna gaan zwijgen: ik moet van mijn hart helemaal geen steen maken. Ik ben tevreden met het hart van een weekdier in mijn borstkas. En ja, een zacht hart valt al eens loeihard neer. Wie het ook was die de eerste steen geworpen heeft. En breekbaarheid is schoon.

Breekbaarheid, ik struikel over het woord. Alsof mensen echt kunnen breken. Een stem, dat kan breken. Een hart. Een kerstbal vanavond. Maar een hele mens?

Dat ga ik nu eens écht niet testen: mezelf inpakken in bakpapier, in de rivier gaan liggen, naah. Een ezel stoot zich geen twee keer aan dezelfde steen.

11791e38e038fddf8a151c19f411dc0e

♪Feel Real – Deptford Goth

Ik was Rihanna bij de kapper

Ik wil stante pede terug naar buiten lopen. Bleke poppenhoofden aan een wasbak. Geen lijf te bespeuren. Scherpe scharen zwermen rond hun wangen. Kammekes en krultangen krioelen langs valse haren. Aan de grond genageld spurt ik de trappen af, de hoekjes om, nog meer trappen af. Ik loop door gangen met lage plafonds die het gewicht dragen van 300 boekentassen en banken, van verkreukeld half ingevuld huiswerk en van propvolle hoofden in handpalmen steunend op een elleboog, tot …

Één van de hoofden beweegt. Een vrouw – een levende vrouw – met onvervalst kort blond haar wordt onder handen genomen. Handen zonder scharen. Ik ontwaak uit mijn door Tim Burton gekleurde fantasie. Tien vingers met bloedrode nagellak woelen het piekerige haar van mevrouw door elkaar. Mijn zin voor realiteit dringt stilaan – steeds stilaan – door en ik zie hoe tien meisjes en een mengeling van ernst en van speelsheid de ruimte vullen. Ik bevind me in Anneessens Funck, de middelbare school op het Groot Eiland in het centrum van Brussel, bij de 5e jaars richting Haarzorg. Een vrolijke vrouw met een zwierig kleedje komt op me afgewandeld.“Ben jij Jill?”. “Ja” zeg ik.
(En ik krijg zin om te zingen “Mijn naam is Jill en ik zeg ja. Naam, familienaam”).

“Eda, jij mag mevrouw haar haar wassen”.
Hebben ze het over mij? Ben ik ‘mevrouw’? Zo blijkt. Het meisje neemt me mee. Ze heeft donker haar samengebonden in een paardenstaart vooraan op haar hoofd. Daar was Tim weer, dat laatste moet een reflectie in één van de vele spiegels geweest zijn. Eda loodst me naar de witte porseleinen wasbakken achteraan in de klas. Haar naam betekent ‘vurig’.

“Is het goed zo? Zeg het maar als het te warm is. Wil je ook een verzorging? Neen?” Veel vragen tegelijkertijd en weinig kans om te antwoorden: Met je hoofd ‘neen’ schudden is onmogelijk als je hals tussen twee uitstulpsels van zo’n wastafel ligt. ‘Ja’ knikken gaat evenmin. De kracht van de masserende handen drukt je hoofd naar beneden in de andere richting van hoe ‘ja’ begint. Ook praten gaat erg moeilijk wanneer je met je hoofd naar achter, met langgerekte keel en met je stembanden op hun maximumlengte, verloren in een poncho gevangen zit als een olifant in een porseleinen wasbak. Gelukkig gaat het ook zonder praten goed, Eda weet perfect wat ze moet doen.

Even later zit ik naast zo’n bleek poppenhoofd en staar ik mezelf aan in de spiegel. Na een praatje met de leerkracht besluit zij: “Ik begrijp het. Je wil drie kapsels in één. Meisjes, kom eens allemaal kijken. We gaan hier drie kapsels in één doen. Dat is pas interessant”. Voor ik goed besef wat er gebeurt, ben ik omringd door tien jonge kapsters in wording, geamuseerd door mijn bezoekje en met allerlei ideeën over een mogelijke nieuwe coupe… “Je moet je haar doen zoals mevrouw De Ville”, zeggen de meisjes. “Haar heb ik graag, bij haar mag ik mij uitleven”, zegt de leerkracht en vervolgt dat we “een halve maan gaan uitvoeren”. Ik moet denken aan de Halvemaanstraat bij mij in de buurt. Rue du Croissant in het Frans. Twee zo’n mooie en zo’n verschillende namen in het Frans en het Nederlands, voor dezelfde straat. Een snoeiende schaar haalt me uit mijn gemijmer over koffiekoeken.

“Amaai, je bent echt mooi. Je moet doen zoals Rihanna. Je zou heel goed staan met kort haar”, zegt één van de meisjes. De docente corrigeert haar. “Kijk. Dat is lief van u, maar je mag dat niet doen. Dat is psychologie. Als een klant binnenkomt met een idee, mag je dat niet minimaliseren of wegnemen. Je kan alleen vertellen wat je doet en waarom en dan moet je zien dat je klant ‘waow’ zegt. Als mensen buitengaan met het gevoel dat ze mooier zijn dan voordien, dan ben ik content se”.
Het meisje rolt met haar ogen, maar slaat de feedback op en steekt een plagerig offensief af als repliek. “Mevrouw, je hebt mooie benen. Je hebt een mooi kleedje aan. Je ruikt lekker”. De leerkracht bloost en lacht “Allemaal complimenten die ik kreeg van klanten. Ik zal dat vanavond een mijne sjoe vertellen”. “Ah bon en wie zegt u dat allemaal, gaat hij denken”, plaagt het meisje nog één keer voor ze weer met ogen vol respect naar haar leerkracht kijkt. “Ik ben Sebnem, de secretaresse van mevrouw”, vertrouwt ze me toe. “Hey meisk. Wat hebt gij vandaag al gedaan he meisk?”, provoceert een andere chick haar. De leerkracht heeft kennelijk verschillende secretaresses. “Hela, niet zo stoer Chaima. Bij Sebnem weet je meteen wat je aan haar hebt vanaf het moment dat ze de klas binnenkomt. En vandaag is dat… niks”, lacht de leerkracht. Alle meisjes proesten het uit en ze geven Sebnem een ‘low five’.

“Heb jij een lief?”. Als een dwaalster schoot miss S. haar volgende vraag op me af. “Je moet eyeliner aandoen. Dan ga je direct een lief hebben”. Ik voel me een honnepon in een beautysalon met een afspraak voor een all-in. Niet verwonderlijk, 5 Haarzorg krijgt vakken als ‘Geschiedenis van mode, haartooi en schoonheidsverzorging’ en ‘Make-up, nagels lakken, brushing en kindergrime’.

Het belsignaal schudt de school door elkaar. De levende vrouw met het piekerige haar vraagt hoeveel ze moet betalen. “Zes euro en dames, jullie moeten nog wat gel in mevrouw haar haar doen. Nu ligt het zo braaf. En zo is mevrouw niet”, besluit de docente. Ik gniffel. “Haar kapsel moet bij haar persoonlijkheid passen. Blijf nieuwsgierig naar iemands persoonlijkheid, blijf verwonderd, dames”, geeft ze hen nog mee voor de meisjes de klas uit rennen. Het onderwijs in Brussel is niet evident. En iedereen heeft er kwetsuren… Maar deze leerkracht houdt vol en is één van de grote schatten die zich met hart en ziel inzet voor haar leerlingen. En wat een magnifieke ervaring is dit bezoek aan Anneessens Funck, denk ik terwijl de klas leegloopt. “Je hebt een leuke stijl en je bent echt mooi”, glimlacht Amina nog naar me terwijl ze door de deur glipt.

Rihanna – met verschillende coupes, dus meermaals – schiet door mijn hoofd. “You’re a shooting star i see” zingt ze zwoel. Ik ben mooi voor maar zes euro. En jullie zijn ook mooi, dwaalsterren. Laat niemand jullie ooit het tegendeel beweren.
Shine bright like a diamond.

f53dc349867f37331d3d1d8557cf0489

♪Shine brigth like a diamond – Rihanna

Mijlpaal

De dag van mijn 18e verjaardag, wist ik niet hoe ik mij moest gedragen.
Wist je dat dat eigenlijk een mijlpaal is? Mijn moeder had me regelmatig verteld dat 18 jaar worden, een mijlpaal is. Ik had nachten wakker gelegen, wachtend op en gissend over die ene doorbraak. In de wetenschap dat ik een mijlpaal meemaakte, was ik die dag erg onrustig. Maar ik merkte ik niets speciaals. Allez, ik kreeg wel een mooie ring van mijn vriendinnen op school. Hij zat opgeborgen in een doosje gevuld met watten en versierd met kaftpapier van rode rozen. In het tweede leerjaar had ik een meisje leren kennen dat exact dezelfde pink had als ik. Aagje. We waren tien jaar en enkele krab- en huilsessies later nog steeds bevriend. En zij was de uitgekozen ring gaan passen om zo dicht mogelijk bij mijn ringmaatje te komen. Geen makkelijke opdracht, mijn vingers hebben het formaat van een smalle vulpen – toeval of niet dat ik graag schrijf? Ik speelde enkele maanden later de ring kwijt tijdens het Graspop Heavy Metal Festival op een modderig veld tijdens een optreden van Slipknot, begot. Zat hij toch wat los of was ik te hevig aan het pogoën? Toch, op de dag van mijn 18e verjaardag merkte ik geen grootse omwenteling, geen transmutatie, zelfs geen zwenking. Ik werd niet plots een vrouw. Evenmin kreeg ik plots grotere borsten – wat ik nochtans bij vele voorafgaande verjaardagen en vallende sterren gewenst had. Ik wist ook met een ring aan niet hoe ik mij moest gedragen en ben na een stuk taart ’s avonds vroeg gaan slapen.

Mijlen heb ik gewandeld sindsdien, maar ik ben geen enkele mijlpaal tegengekomen. En zelf kreeg ik er geen in de grond geklopt. Oké, mijn reis naar Zuid-Afrika was onvergetelijk. Afstuderen was bevrijdend. Mijn eerste job was op zijn minst een speciale ervaring. Het daarbij horende bedevaartsoord bezoeken en er pralines verkopen aan zwermen zusterkes, ook. Even samenwonen, terug thuis belanden, een nieuwe job aangaan, verliefd worden met een coup de foudre, eigenlijk niet zo triviaal allemaal. Maar toch ook geen mijlpalen.

En sinds kort, negen jaar na de grote mijlpaal, bestaat mijn leven alléén nog maar uit mijlpalen. Ik ben een laatbloeier. Maar ik word wel een vrouw. Ik ben alleen gaan wonen in Vorst. ‘Forest’ in het Frans en als je dit luidop zegt, betekent het ‘bos’ in het Nederlands. Ik ging voor de eerste keer naar een lesboparty. En ik heb mijn ogen de kost gegeven, wat een ervaring, oehlala. Ik was fameus content – ik hoor u al denken… waarom? Ik vond mijn toenmalig lief de knapste op de dansvloer.

Ik heb ‘neen’ leren zeggen. Ja, ‘neen’. Ik ben mezelf graag gaan zien. Ik heb een blog gemaakt en ik ben heel blij dat ik dat gedurfd heb. Ik heb gehuild op mijn kussen in bed. En ook verschillende keren tijdens het afwassen… Het overvalt mij soms zo plompverloren. Maar zo op mijn kussen, dat was mij nog nooit overkomen. Ik las acht boeken op twee maand. Zegde mijn job op zonder iets nieuws op het oog te hebben en ik ga springen.

Ik stak eens kaarsjes aan op een avond, zonder reden. Ik heb toen een kleedje aangedaan en zelfs lip gloss. En ik heb lekker gekookt voor mezelf. Op een poëzienamiddag mocht ik een zelfgeschreven tekst voorlezen. Ik heb nog eens een tekst voorgelezen, dit keer voor twee vrienden door twee gsm’s tegelijkertijd.  Ik omhelsde mijn vader tijdens een wandeling met ons twee. Ik ging alleen naar de film, alleen naar concerten, zelfs naar eentje van The National – mijn helden – in mijn eigen hometown én ik nodigde hen uit voor een pint bij mij thuis. Ja, ‘neen’.

Thuis, zo lang thuis zijn dat ik thuis kom. Lezen, hangen en naar het plafond staren. En dan oprecht blij zijn wanneer iemand me opbelt. Zelf initiatief nemen. Niet nadenken over wat ik nog allemaal moet doen en alweer vertrekken zonder het gevoel dat ik nog niet eens ben thuisgekomen. Gewoon doèn. Spontaan een koffie gaan drinken met een vriend. Uiteindelijk iets gaan eten in een plekje dat hij uitkiest. Met maaltijdcheques betalen, iets dat diezelfde vriend het sterkste signaal vindt van het feit dat de maatschappij drastisch verandert, dat ik met maaltijdcheques betaal.

Iemand pijn hebben gedaan en willen dat ik dat teniet kon doen. Splijten als kernenergie. De nieuwe atoomkernen die hierbij ontstaan, zijn samen lichter dan de som van de initiële kernen. Mijn stof en mijn schaduw bijeenvegen. Glimlachen wanneer ik een compliment krijg en dit ook laten binnenkomen. De telefoon opnemen. Ja, echt waar tegenwoordig. In de zee van tijd duiken. Een hele dag in pyjama rondlopen. Thuis weliswaar. Een klerenberg laten groeien in mijn kamer – groeien bergen eigenlijk?

Een vriendin vertellen waar ik mij niet goed bij voel en dit uitpraten. Woorden uitspreken die ik altijd al schuwde. Letterlijk woorden, omwille van hun betekenis die ik niet aankon. Een njet krijgen van een droomjob en een Prezi maken met filmpjes en animatie over waarom ik wél ben wie ze zoeken. Weten dat ik mijn ouders deugd doe. Weten waar ze de beste kebab verkopen in mijne quartier en waar de uitbater het liefst is. Een stamfrituur, stampizzeria en een stamcafé hebben. Een brief schrijven van 14 pagina’s. Zoveel pagina’s telt mijn hart dus. Een vriendin zei me: “Misschien is roken nog gezonder. Of voor je hart, om het binnen de vier hoeken van een ansichtkaart te krijgen”. Verder niets meer kunnen schrijven gedurende een hele maand. Mijn vader die zegt: “Bedankt voor het telefoongesprek, Jill. Je hebt mij dinges doen inzien. Nu ga ik afleggen want ik moet naar het toilet. Echt waar he, ik vind het niet uit”.

Mijn favoriete schrijver toevoegen op Facebook. Hem naar zijn kelder sturen om er een niet meer verkrijgbaar exemplaar van zijn gebundelde columns vanonder het stof te halen en hem vragen het op te sturen naar het ‘bos’ waarin ik woon. Een kleedje aandoen om naar het werk te gaan. Me omdraaien wanneer mannen een grote bek opzetten op straat en vragen wat ze juist gezegd hebben of wat er aan de hand is. Existentieel iemand missen. Plaats maken.
Nog een plaatske vrij hebben in mijn leven. Voor een volgende mijlpaal.

Mijn borsten mogen nog altijd eens gaan groeien, bijvoorbeeld.
En verder… weet ik nog altijd niet hoe ik mij moet gedragen.

567_002