Wildstil

Op de banken in het bos komt de woedende woekerende stad in ieder
tot rust.
Ze neemt tijd en adem, ze zwijgt en ze praat met elkaar,
ze telt haar wortels en haar takken.
Mensen op de banken in het bos ademen,
tellen hun wortels, zwijgen, praten, staren.
En als ik een passant ben wanneer de mensen op de banken staren,
dan loop ik niet in een boog om hen heen, neen, maar rechtdoor als een pijl door de wind.
En toen ik hen op een keer met veel wind passeerde in het park van Vorst, verrasten ze me eens.
Ze zetten ‘Always look on the bright side of life‘ in. En ik keek die kant op.

In het bos komt onze neiging tot gehoorzaamheid tot rust.
Doe eens je zin. Dat denkt ook de hond die niet doet wat baas wil.
Hond denkt: wat betekenen die gebaren, die geluiden
en ik wil niet lopen naar wiekende armen, wel
blijven liggen in het gras.
En hij blijft liggen. Dat kan tellen als protest. Dat denk ik ook vaak ’s ochtends.

Op de banken in de stad woedt en woekert alles en rust
niets.
Ik wandel in bogen om niet te botsen tegen geen enkel gezicht dat ik ken.
Ik ken niemand.
Ik weet wel dat Chinezen die met hun handen in de lucht lopen, een gek zicht zijn en ook gids.
Ik weet ook dat de vrouw van de taverne in Brussel-Centraal niet meer antwoordt
wanneer mensen haar de weg vragen.
Ze spreekt alleen nog als je een koffie of een pint bestelt.
En ik weet eveneens dat de twee uitbaatsters van de koffiezaak in Brussel-Noord elkaar graag zien…
En ik weet dat ergens in een leuk appartement
bij de transparante lift aan het Justitiepaleis, een jongeman soms aan het raam staat te koken.
En dan een proevertje aanbiedt aan zijn vriendin. Waarop zij haar neus optrekt en een smoel trekt.

In de stad maken ze reglementen.
Daar en hier en in het park mag je om te beginnen geen bloemen plukken.
En hier en daar en in het park komen plekken met hekken
waar je niet over mag klimmen,
om bij de bomen of om bij elkaar te zijn.
Ze maken plekken waar je niet zomaar mag overnachten,
maar wat als je daar nu het allerliefst zou wonen?

In de stad scheuren we onze kleren aan hekken, aan regels en aan mekaar.
In het bos wijken we van paden af, likken we onze scheuren, onze wonden,
als een dier en wildstil.

pluk-bloemen-geen-teken-54210475

Wildstille video

 

Advertenties

Truukjes

Het regende. Dus er was veel zuurstof in de lucht, zo kan je het ook bekijken. Op 14.09.2013 liep ik de Leopold-II jogging mee in Molenbeek. Ik had me voor de 9 kilometer ingeschreven. Overmoedig, zo bleek. Ik ben helemaal niet in conditie en ik had in de helft al moeite met vriendelijk blijven tegen aanmoedigende omstanders. Ze overdreven dan ook. Alsof ze nooit eerder lopers zagen in Molenbeek. En ze noemden me ‘chou’. Ik weet niet welk truukje deze mannen wilden bovenhaalden, maar dat alles maakte wel dat ik sneller ging lopen natuurlijk.

En dan om de hoek een totaal, bijna fataal contrast: op de Gentsesteenweg begreep niemand wat er aan de hand was. Families kwamen met miljarden zakken uit duizenden winkels, staken in kuddes de straat over en werden uiteengedreven door mij, een knalrode chou de Bruxelles in een sportbroek en zeiknat.

En van al dat lopen in de regen… en in de zuurstof, had ik honger gekregen en ik snak naar Bigoli’s. Van zijn jaarlijkse tocht naar Italië en van een goed weerzien met zijn eerste dochter die daar woont, brengt mijn vader steevast Bigoli’s mee. Ik wist eerst helemaal niet wat dat was en of ik daar blij mee mocht zijn dat hij dat voor mij mee had gebracht. Maar hij bracht ze mee. En de Bigoli’s werden in de loop van de jaren een goestingske voor ons allen.

Mijn vader en broer gaan tweewekelijks op zondag naar den Anderlecht om te kijken hoe ze tijdens het jaar al richting kampioen spelen, naar goede gewoonte. En tijdens de voetbal stoort ge beter niet, dus stuurde ik mijn vader mijn dringende vraag per sms. Het is mij namelijk al eerder voorgevallen dat ik toevallig bel en dat er net op dat eigenste moment een goal gescoord wordt. “Merci voor de Bigoli’s. Hoe maak ik ze het best klaar, die dikste pasta’s ter wereld?” “4-0. Met courgette, basilicum en pijnboompitten (facultatief)”, stuurde hij terug – zijn langste sms ooit naar mij.

Ik hou van de recepten van mijn vader. Sinds ik alleen woon in Vorst, bedenk ik mij regelmatig dat ik een gelukzak ben geweest met thuis een restaurant in onze living. En dat ik graag wat minder was gaan werken – u ook. Ik omdat ik dan van hem had kunnen leren koken en ik dan nu zijn truukjes zou kennen als zijn geheimen. Liefde gaat door de maag. Ik dacht zijn ‘facultatief’ weg en liep de deur uit. En de deur ernaast binnen.

Courgette hadden ze, basilicum oogst ik zelf en pijnboompitten hebben ze er nooit gehad. Ik kreeg een verwarrende wegbeschrijving van de enige zaak uit de buurt waar ze wel pijnboompitten hebben. Ze zijn wel altijd erg hulpvaardig in de buurtwinkel naast mijn deur. Ook ‘s ochtends wanneer ik recht uit mijn bed wat fruit kom kopen en sprakeloos ben over een droom of zwijgzaam wegens een ochtendhumeur dat ik ontken. Ik kreeg de wegbeschrijving nog een keer maar op een compleet andere manier en aangevuld door iemand die alles in heel veel gebaren vertaalt. Ik kwam op dat punt waar je niet meer kan volgen en gewoon nog uit beleefdheid knikt en zwijgt tot als de vriendelijke behulpzame mens stopt met praten en glimlacht, u kent dat punt vast.

De mannen glimlachten, ik vertrok en reisde door verschillende landen en straten, de Bosniëstraat, de Serviëstraat, de Denemarkenstraat. Ik vroeg in elk winkeltje dat ik passeerde of ze er pijnboompitjes hadden. De Indische vrouw van de winkel op de Koningslaan belde naar haar man om te vragen wat ik eigenlijk bedoel. Ik was vertederd door haar moeite. In een andere zaak stuurden ze me naar ‘fruits sechés’. Dat bleek de winkel te zijn waarover iedereen sprak.

De uitbater legde me uit dat de pijnboompitten te klein waren die week en dat hij ze daarom niet heeft aangekocht. Ik koos voor een zakje cacahuetes. Dat lijkt er nog wat op, alleen mijn eigen ‘make belief’ werkt bij mij. Monsieur Droogfruit trok mijn zak nootjes open en begon er losweg van te eten. Hij zei dat ze niet meer zo goed zijn en gooide nog een handvol naar binnen. Ik keek hem verbaasd aan. Hij roept dat ik een ander zakje moet nemen en dat het zakje dat hij aan het binnenschransen was, nog maar goed is tot 2014. Ik bleef minstens een halve minuut naar hem gluren vanachter het rek voor ik terug naar de kassa wandelde met een identiek zakje. Zijn zakje was inmiddels al voor de helft leeg.

Ik had 6 cent te weinig bij en hij zegt “laat maar vallen”. Die uitspraak flitste me terug naar een hilarische herinnering uit mijn studententijd: Voor mij aan de kassa in de Aldi stonden twee kindjes met een paar zakken snoep. Ze hadden ook te weinig geld bij. De vrouw aan de kassa zei: “laat maar vallen”. Waarop ze haar verbaasd aankeken en de zakjes snoep dan maar lieten vallen.

Op mijn terugweg passeerde ik de winkel die me de gouden tip richting ‘fruits sechés’ gaf en ter bedanking kocht ik symbolisch een ajuin. Verderop in mijn Montenegrostraat hoorde ik een jongen naar boven roepen dat ze bij de Marokkaan geen vinaigrette hadden en of hij naar de Indiër moest gaan om daar eens te kijken. Zijn moeder vloekt enaar beneden, op de vinaigrette, en antwoordde haar zoon dat dat een heel goed idee was. Iedereen heeft precies honger op dit moment en iedereen heeft zo z’n eigen kooktruukjes waarmee  een gerecht echt staat of valt.

Iets verder was de stoep smaller dan normaal. Meubels die klaarstonden voor het groot vuil namen de helft van de plek in. Er kwam een jonge vrouw afgewandeld en ik voelde van op afstand dat we tegelijkertijd aan de obstakels zouden toekomen. Het was even afwachten wie er zal wijken. Ik liet haar uiteindelijk passeren. En kreeg de mooiste glimlach en een ‘goede avond’ terug.

Wanneer ik mijn voordeur opende, hoorde ik vanuit de winkel naast mijn appartementje nog een vrouw uit de buurtwinkel op z’n Italiaans jammeren dat ze 20 cent te weinig had teruggekregen. Waarop Mohammed vanachter de toonbank antwoordde dat hij al wat ouder wordt, dat zij zo mooi is en dat hij daarom wat in de war  geweest zal zijn. Ieder z’n truukjes, he.

De gedachte die erachter zat

Ze barst.
Ze barst in een schaterlach uit.
We zitten aan het Zuidstation in Brussel naast elkaar op een bank
onder de treinsporen aan Avenue Fonsny.
We wachten op tram 83 richting Montgomery, die binnen 1 minuut aankomt.
Haar glimlach maakt het begrip ‘hartverwarmend’ voelbaar. Ze barsten.
De bevroren ijspegels rond mijn gebroken hart trillen, barsten en breken.
Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.

Blij dat er iemand is om naar te lachen, vertelt ze me dat ze gelukkig wordt
van de vrouw aan de overkant van de sporen – tram 83 richting St. Agatha Berchem:
“Zij zingt, danst en glimlacht naar iedereen die haar voorbij wandelt.
Zonder alcohol. Sans alcool. Simplement … content.
Dans le présent, in het moment.”
Ze vertelt me dat deze vrouw buiten slaapt, op straat.
Dat als we nu allemaal zouden omkomen door één of andere storm,
chemische aanval of ijstijd, zij wel – zij wél – deze wereld gelúkkig verlaat.
Ze vertelt dat haar eigen dochter van 14 dit had moeten zien
en dat ze een beetje speciaal is. “Elle est un peu spéciale. Gelukkig maar.”
Ze kent ook een verhaal over een rijke man
die op een zeker moment in zijn leven teveel schoonheid
in andere mensen gewaar werd …
Hij besloot daarom boeddhist te worden.
Ze vertelt dat we meerdere levens hebben
en dat we niet in ons verleden mogen gevangen blijven zitten.
Dat we het een plek moeten geven en dan naar onze toekomst horen te kijken.
Ze drukt uit wat ik de laatste dagen ervaar en waar ik voor kies.

Ik moet de tram al uit aan de halte Koningslaan. Zij rijdt nog wat verder.
Ik geef haar een hand en zij wenst mij nog veel geluk.
Ze zegt dat ik een aardige glimlach en ‘iets kunstig over mij’ heb.
Ik kijk naar haar, zij voelt het en kijkt ook naar mij.
“Omdat jij veel absorbeert. Teken of schilder jij misschien?”
“Ik schrijf heel graag”, zeg ik.
En waarschijnlijk ook iets over deze ontmoeting,
over uw glimlach en over de gedachte die er achter zat,
denk ik terwijl ik hartverwarmd de tram uitstap.
Mijn eigen ijstijd is zonet geëindigd.
Dans le présent. In het moment.

“Vous aussi vous êtes un peu spéciale. Gelukkig maar”, wil ik haar vertellen
terwijl tram 83 uit het zicht verdwijnt.
Ik wandel naar huis en denk aan de vrouw die deze wereld gelukkig verlaat.
Zij wel – zij wél.

dyn010_original_640_391_pjpeg_2565708_cb9b7ebde4ff6778732f0704ababcd34